de merel in de literatuur (68)

door johan_velter

Hemelsblauw_jl
De vijfde sectie van ‘Hemelsblauw’ (De Bezige Bij, 2011) is de lyrische. ‘Zoals vuur vuur uitademt’, is een lang gedicht van veertig strofen die elk uit 10 regels bestaan. Geen punten. 400 regels en geen enkele is opvulling. De titel verwijst naar dat wat in zich besloten ligt: het doel is de zaak zelf, de zaak dient geen externe doeleinden – zie strofe 21.

Jan Lauwereyns is naast dichter ook wetenschapper. Zijn ambitie is om aan te tonen dat alfa en béta geen twee gescheiden werelden maar op elkaar betrokken zijn. Voor de wetenschapper is de poêtische inbreng een appèl aan de nederigheid: er ontsnappen ons dingen. Voor de dichter is de wetenschappelijke oriëntatie een aansporing om betekenis en inhoud vast te leggen. In zijn boek ‘The Anatomy of Bias: how Neural Circuits Weigh the Options’ (MIT , 2010) komen we in de bibliografie namen tegen als Peter Verhelst , H.H. ter Balkt, Paul Celan, Emily Dickinson, …

Dit is een gevaarlijke weg want de strikte scheiding tussen verschillende domeinen is (of was) juist een modernistisch element. De wetenschap (en dus de mens) heeft zich maar kunnen emanciperen door een strenge scheiding aan te brengen tussen wat we zeker kunnen weten (op dat moment, op die plaats) en wat we voelen, veronderstellen, hopen. Een aantal levensvragen behoort dus terecht niet tot de wetenschap: het onbeantwoordbare is er slechts omdat de verkeerde vragen gesteld worden. Maar de dichter staat paraat en suggereert dat we die emanciperende methode misschien achter ons moeten laten om nu naar de waarheid te zoeken – de voorlopige- waardoor de emancipatie ook een wetenschappelijke basis kan krijgen. Het wetenschappelijk denken is immers een bewegende en kan zuurstof vanuit het leven gebruiken.

De poëzie van Jan Lauwereyns doet niet wat verwacht wordt en hij staat daarmee nogal eenzaam op zijn weg. Dit geldt ook voor zijn wetenschappelijk traject.

Er komen veel dieren voor in dit oeuvre (bijvoorbeeld de muilezel in ‘Het zwijgen van de dichter’, de adder in ‘Addertje zonder kop’, …). Het dier heeft echter een specifieke status: het is autonoom en staat naast de mens. Zijn roman ‘Monkey business’ heeft de verhouding mens-dier verder geproblematiseerd maar is in geen enkel opzicht een eindpunt gebleken. In ‘Zoals vuur vuur uitademt’ ontmoeten we de merel van Wallace Stevens. Maar er zijn verwijzingen naar meerdere gedichten van Stevens.

De eerste strofe van deze cyclus is een aansporing tot de merel. Als je ‘het ziet’, is het mooi. Als je blijft kijken, bouw je een relatie op. Kijken is kiezen en uit de dingen groeien gedachten. De idee wordt voorgesteld als een ‘dikke vette sappige worm’. Kijken is een relatie opbouwen. Het oog is de toegangspoort tot het denken. Een diderotiaanse probleemstelling: hoe kan een blinde denken? Maar ook andersom: het zijn de hersenen die het oog, het kijken bepalen. De merel kijkt: het is hoofd dat werkt. De merel is er in dit gedicht en tegelijkertijd ook niet. Zijn rol is die van (be)waker, een ‘memento’, een zucht, een vlucht.

De tweede strofe begint met de wetenschappelijke attitude: ‘Nu je het ziet, zie je het niet’. Lauwereyns speelt met het woord zien. Maar er is ook een klankspel: Kraai wordt Karel, de verteller. Kraai is de dissonante verlosser: het zwart van de vogel is een waarschuwing. Als het over zien gaat, is er ook duisternis (in de verschillende betekenissen die er zijn). ‘De harteloze hemel ademt niets dan koude uit’, is een romantische houding.

3. Er zal in dit gedicht over het leven verteld worden. ‘Ik ben hier, zie je’. Het zien is een bevestiging. Er is voor de lezer een verwarring omdat de sprekende en vertellende wijs in elkaar overlopen: wie spreekt, wie wordt aangesproken: de merel, de kraai, de vrouw, de dichter? De hij verzekert zijn trouw, zijn standvastigheid. Sedert Fukushima is er een ‘radioactieve liefde’. De klanken zetten zich verder: kraai, karel, kiezen, kerndeling, kraken.

4. De kraai zegt dat de merel weer aan het staren is, mediteren over het leven. Maar er is geen leven want ‘Geen natuurlijke uitlaat / Kunstmatige invoer’. Er komt een nieuw personage bij: ‘Mevrouw’. De ogen stil houden: dit is het tegenovergestelde van de eerste strofe bij Wallace Stevens’ ‘Thirteen Ways of Looking at a Blackbird’: tussen twintig sneeuwbergen was daar de enige beweging het oog van de merel.

5. Wat betekent het voor een kraai om de ogen stil te houden? De leegte, het niets. Passiviteit is de dood. Het oog als bron van leven.

6. Het doodgeboren/ongeboren kind, wat was het? Was dit leven of het niets? ‘Le mot juste’: wat is leven, wanneer begint het leven, wat is een mens? Er zijn twee levensregels: schep moed en/of treur. De initialen van de aangesprokene worden omgekeerd: de twee zijden zijn allebei evenwaardig. T.S. Eliot staat tegenover S.T. Coleridge – tegenover is een oud woord. Er is niet 1 waarheid, niet 1 levensregel. Er is een pleidooi voor een meerduidigheid, een ‘tegelijk’, geen exclusiviteit. Dit geldt ook voor de mens als persoon: soms de triomferende, soms de overwonnene. De twee kanten van de menselijke creativiteit en intelligentie: wetenschap en kunst.

7. De lichamelijke pijn is het allerergste (niet de romantiek van het geestelijke lijden) en tegelijkertijd is ze een bevestiging van het leven, het rauwe leven. Het kind, de metafoor van wat het onmogelijke bleek, dat wat niet mogelijk was en niet is, is het ergste verlies. Als alles een zin moet hebben, hoe kunnen we dan een verlies accepteren?

8. De woorden/regels beginnen elkaar te herhalen, er zijn echo’s, maar niet altijd een letterlijke herhaling, kleine verschuivingen. Het is een mantra, een zingen. De herhaling is een niet-wetenschappelijke houding omdat ze niet-lineair is. Het simpele oorzaak-gevolgdenken is met de huidige kennis voorbijgestreefd, er moet en nieuw paradigma opgesteld worden. Door de herhaling ontstaan betekenisverschuivingen en dus kennis die er niet kon komen in een strikt wetenschappelijke methodiek. Zo bijvoorbeeld in 7: ‘Lichamelijke pijn de wildste ode’ wordt in 8 ‘Lichamelijke liefde de wildste ode’. Natuurlijk, liefde is lichamelijk en dus pijnlijk. Ondanks de pijn is er de lichamelijke liefde, de troost van het vlees. De tegenstelling wordt ook teniet gedaan: schep moed en neem de tijd om te treuren. ‘Een dikke vette sappige worm’ uit 1 wordt in 8 ‘De dikke vette druipende worm’: de idee wordt het mannelijke geslacht.

9. Hoe lang moet/mag er getreurd worden? Lauwereyns is een litanie aan het opbouwen, een bezwering van de pijn. De vier elementen en de struisvogel die doet alsof niet.

10. Hoe verder te leven met/na de pijn? Wat is het statuut van de dood? Behoort ze tot het leven of tot een andere categorie? Deze morgen de gitaar en het ik-personage. (We denken aan Wallace Stevens: ‘The Man with the Blue Guitar’, het gedicht ‘Jouga’ (Jouga is ook de naam van de uitgeverij bij wie Jan Lauwereyns poëzie publiceert.) Man en vrouw worden één: (op)gesloten in zichzelf. Man en vrouw zijn één geheel. Jan Lauwereyns schrijft afgemeten. Er wordt niet uitgelegd, slechts aangeduid: de hele context er rond is een stilte, een leegte, een vermoeden.

11. Deze strofe begint met de drie richtlijnen van Wallace Stevens over poëzie: ‘Het moet abstract zijn / Veranderen en bekoren’. Er moet verwondering zijn: het huidige moet het toekomstige verbazen: de jaguar van Wallace Stevens, Jouga: het ding staat niet noodzakelijk in verhouding tot de effecten die het maakt. De jaguar neemt de rol van de pijn (en de poëzie) over: het is de kunst kracht te ontwikkelen. Het fascineert en beangstigt. Deze cyclus is een poging om om te gaan met wat zinloos lijkt/leek: alles heeft een zin. Daardoor lezen we ook een spinozistische adem in dit gedicht: de aanvaarding van wat is, het begrijpen van het leven. Wat bestaat, leidt tot wijsheid en een filosofische onverschilligheid voor de wisselvalligheden van de externe wereld.

12. De pijn om het kind gaat over in de pijn van het creëren, van de poëzie. Het ongebonden hart verwijst naar de romantiek van Coleridge – en dus de anti-wetenschappelijke houding. Maar de dichter waarschuwt: het hart, de duisternis behoren tot het leven, mogen niet weggesneden worden.

13. ‘En toch, en toch’, de beginregel van strofe 13 is dezelfde als van strofe 8. Gas terugnemen, abstractie is nodig om van het kwaad goedheid te maken (we denken aan Mandeville). Het transgene is dat wat getransformeerd wordt, hier het levende naar het eeuwige. Het eeuwige is het niet-leven en tegelijkertijd een verhevigd leven want niet langer belaagd door dat leven. De (negatieve) ervaring moet getransformeerd worden tot een (positieve) gedachte (‘een perfecte gedachte’). Het is levenspoëzie: leren leven.

14. Wat zijn de drijfveren? Liefde, hoon. Positief of negatief, alles kan gebruikt worden, alles behoort tot het leven. Het is een kwestie van aanvaarden, niet afwijzen: ‘Licht weerspiegeld, ontvangen / Geschonken’ (twee versregels als gave parels). De poëzie, het leven zijn als verwerkingsmechanismen, het grote werk van de alchemie. Het ‘veranderen’ van Wallace Stevens.

15. ‘De smaak van het geluid van het denken’ is uiteraard een verwijzing naar het gedichtendagessay 2011 van Jan Lauwereyns , maar er is een verschuiving van het hart naar het denken (het essay had als titel ‘De smaak van het geluid van het hart’). Ook dat essay was een poging om uit het onjuiste, verkeerde, zinloze toch zinvolle uitspraken te doen. Net zoals dit gedicht had het essay een wetenschapsfilosofische dimensie: hoe tot waarheid, kennis, inzicht, kunst te komen. In strofe 15 spreekt de dichter over ‘De zinnelijkheid van abstractie’ en verwijst naar de eerste richtlijn van Wallace Stevens. Het is het opheffen van de tegenstellingen. Een bijna mystiek streven, een mystiek huwelijk. De alchemistische droom.

16. ‘Vrees niet!’ is de eerste regel van de strofe. ‘Zie je’, de laatste. Beide zijn met elkaar verbonden door een gerichtheid op het leven. Je kunt het niet begrijpen en toch is het zo. Het ‘zie je’ wordt hier als een conclusie gepresenteerd.

17. De jaguar in deze strofe verwijst naar strofe 11 waar het een innerlijke kracht voorstelde. Het is het duistere in de mens, een oerbron. Het gedicht van Wallace Stevens kan gelezen worden als de humanistische, materialistische menswording: de fysieke wereld is zinloos, het is de mens die zin moet geven. Voordien stond er in deze strofe ‘Zich bewust van sissen’: de slang verleidt maar

18. Men moet zijn eigen weg gaan: er zijn doornen en onkruid, ingebeeld en echt; er is het verleiden, echt en ingebeeld. De laatste regel is een Engels-Nederlands: ‘Het ene in termen van het andere’: het ding zelf of de woorden, de metafoor, de verwijzing.

19. De ‘smaak van het geluid van het denken’ uit strofe 15 is hier terug ‘De smaak van het geluid van het hart’ geworden. Deze strofe grijpt terug naar 1 en 14. Het ‘moes’ uit deze strofe is een weerklank van ‘moed’ en ‘moet’. De merel wordt aangespoord te blijven kijken, dan wordt ‘het’ scherper. Het zijn de ideeën, maar ook de wijsheid. ‘Geschonken licht / Je weerstand tot moes’. Het gaat niet alleen over wetenschap, harde kennis, maar ook over een geloven in het leven. Kennis, en bij uitbreiding cultuur, staat niet tegenover het leven. Kennis en leven moeten als één geheel beschouwd worden.

20. De dichter vermaant ‘Mijn zelfverminkte Merel, toch’, steeds bezorgd over de toekomst, tobbend en piekerend terwijl het hier en nu open en bloot ligt te wachten.

21. Strofe 21 is een ‘herneming’— beter een verwijzing, een verweving van een oeuvre — van het lange gedicht ‘Het zwijgen van de dichter’: oranje woestijn, de muilezelin. Het gaat over de inspiratie (de klankwoorden ‘denk, dank, tank’). De dichter schrijft: ‘In medias res’. We zitten in het midden van de cyclus. Een moment van bezinning en een zien van het belangrijk(st)e: ‘Op het oppervlak van een stroom / Je fonkelende ogen’.

22. Is begoocheling waarheid voor wereldsen?

23. Juffrouw Theta kan Thanatos zijn maar ook een verwijzing naar Coleridge. Alles komt samen in de blik: de geschiedenis, de eigen historie, de schepping: elke mens is het punt omega. Daarbij worden bewustzijn en gezond verstand (als een intu?tieve vorm van kennis) niet tegenover elkaar gezet maar worden ze complementair met elkaar verbonden. We zien hier een ‘nieuwe’ epistemologie geboren worden: minder nadruk op het bewust-rationele maar ook geen verheerlijking van het ‘natuurlijke’. Het gaat om een streven het volledige te zien. Er is daarbij niet langer een conflict maar een bijna paradijselijke weten: dit is het. Een van de mooiste voorbeelden hoe wetenschap aan de basis van een pacifistisch denken kan liggen. Dit alles kan ook op de poëtica van Jan Lauwereyns toegepast worden: poëzie is zowel bewust schrijven en construeren als het toelaten van het onverwachte, het (on)overkomelijke en onbegrijpelijke. Het is deze vreemde mix die de stem van Jan Lauwereyns uitmaakt.

24. Een strofe vol tegenstellingen. Troost en wind; stoffelijke maker tegenover geestelijke vader; zijnde en niet-zijn; spreken en luisteren. Zijn dit onophefbare tegengestelden? ‘Blijf kijken, Merel / Zie je het al scherper worden?’

25. Nog meer tegenstellingen, stem-blik; trots-gebroken; slechts-goed; alles-niets, wit-zwart: wat te doen? Er wordt een wereld van chaos opgeroepen. Niets is nog duidelijk. De reactie daarop is verdoving (laudanum) en een terugtrekken in zichzelf (‘Je gesloten volledigheid, Merel’). We lezen een ‘romantische’ getourmenteerdheid, een chaotische verwarring. Coleridge siddert.

26. Heeft het verlangen een invloed op wat zal gebeuren? Dezelfde tegengestelden worden hier herhaald: slecht en goed; trots en gebroken ; … Maar er komt een les: verzet je niet tegen de chaos, de neerval, de duisternis, de stortvloed: ‘Open die pupillen, drink deze duisternis / Laat de stortvloed antwoorden’. Het ongeordende, de chaos, kan een antwoord bieden. De wetenschap die helder en ‘simpel’ is of de poëzie en het leven: wat moet gekozen worden? We denken aan de dichter van de duisternis: Hugues C. Pernath. Wat biedt een antwoord, wat geeft de waarheid: het licht of de duisternis, de dag of de nacht? De dichter geeft geen duidelijk antwoord maar toch antwoordt hij: soms moet je de duisternis over je heen laten komen, soms het licht.

27. Er is een nieuwe tegenstelling: ‘Weggaan de enige oplossing / Om hier te zijn, waar’.

28. De fysieke pijn zet zich over op ‘de ziel’, het gemoed, het menswaardige. ‘Verwezen en betekend, of geen van beide’. Verwezen kan in de twee betekenissen gelezen worden: een wees geworden of verwijzen naar/van. Er is een pleidooi voor de romantiek: de vrijheid ‘voor de waterval’ (dus voor het neerstorten) is te verkiezen omdat het een uiting van het kloppende hart is.

29. De slang, rivier, trein: er is een ontoereikendheid, niet alleen van woorden maar ook van gedachten: geen mens te zijn, verstikt. De dichter staat aan de rand van zijn afgrond: springen of terugkeren? Er is geen samenhang meer, er worden enkel woorden gestameld ‘Toen, wanneer ik bijna / Ja’. De sprong zelf kan niet verwoord worden.

30. De volgende strofe is dan een haast huiselijke beschrijving van het conflict. Een ode wil dit zijn, meer dan een ode. Er is sprake van gebocheld: de houding van de foetus maar ook van de vrouw in de liefdesdaad en het teken van de afkeer, het afweren, de cirkel – toch samen.

31. Er is rust gekomen en dus is er tijd om zich zorgen te maken. De tijd, de vrees voor rijm, voor herhaling.

32. Hier wordt de vraag gesteld hoe om te gaan met zin en verlies, met ethiek dus. De auteur ‘belijdt’ een aanvaardingsfilosofie: geen verzet, maar een zijn temidden van het zijnde. Nogmaals: dit is een bevestiging van de spinozistische filosofie.

33. Strofe 33 begint met een verwijzing naar strofen 8 en 10 van ‘Thirteen Ways of Looking at a Blackbird’ van Wallace Stevens: ‘De decadentie van cadans / die ontspoort / Vrees niet! / Mijn vleesetende Merel’. Vrees niet wat ontspoort, wat buiten de grenzen spoort. ‘De kloppende vrijheid / Ingebed in het schone / Het wonderlijk vreemde’. Dat wat niet gekend is, voedt ons, geeft ons het leven. Dit is bijna een Marsmaniaans pleidooi voor het ongestructureerde leven. Ramses Shaffy achterna.

34. En dus is deze strofe een zich overgeven aan het overgankelijke, het vuurwerk, het zwemmen, de leegte, de bossen en de diepte van het hart.

35. Een stand van zaken: ‘Jij bent / Wat je bent’: dit is zo dankzij het denken. Maar er is ook de natuur met haar veelvoudige en ‘onstuimige vormen’ die de inspiratie voor het denken moet zijn. Deze poëzie is een poging de scheur te dichten.

36. De dichter komt tot een slotconclusie: ‘De dingen zullen gaan of zijn / Bij de gratie van al deze oefeningen / […]’: er is niet langer een verzet, een zich afzetten tegen, maar een aanvaarden van wat het leven en het denken zijn. Het is een zichzelf opgenomen weten in de ordening der dingen.

37. De vraag: is het hart wel bekeerd of is het onstuimig gebleven? Er is een verwijzing naar de blauwe gitaar van Wallace Stevens. Ook in diens gedichten ging het over wat we zien en wat er is. Het romantische hart wil de dingen niet zien zoals ze zijn maar zoals ze op de blauwe gitaar verschijnen. (Deze reeks gedichten van Wallace Stevens was geïnspireerd door een schilderij van Picasso uit 1903, ‘De oude gitarist’. De gitaar verwijst naar het Spaanse volksleven, was toen geen cultuurinstrument.) Zoals de schilderijen van Picasso de dingen anders weergeven dan hoe we ze zien, zo zijn ook de gedichten van Wallace Stevens en Jan Lauwereyns oefeningen in het anders-zien, het volledige kijken. De observatie is een basishouding in de moderne wetenschap, maar het kijken krijgt in deze kunst een andere dimensie: het ontleden is ook het ontbinden.

38. ‘Dertien manieren, Merel / Gezien, bekeken, grondig beschouwd / Rouwen wij om jou / Op klagende toon, ja / […]’. De merel is dood, wordt door de worm opgevreten maar zal nooit sterven.  De dichter gebruikt het woord ‘gebundeld’ en verwijst daarmee naar het boek, de poëziebundel. Het is het geloof in de cultuur. De zekerheid van Horatius.

39. De slotsom: de dichter is gelukkig en staart. De rivier is bevroren maar zie, het tegennatuurlijke gebeurt. De dichter ziet de rivier de hemel opstromen. Het geloof in de kracht van de fantasie.

40. De laatste strofe is een reflectie van de dichter op zijn eigen materiaal. De Nederlandse taal krijgt een ondergronds bestaan. De wetten van een andere taal zijn die van het Japans met ‘De rijkdom van vreemde lettertekens’. De dichter suggereert de overstap. Laten we hopen dat dit niet het einde van de Nederlandstalige dichter Jan Lauwereyns is. We blijven vitale poëzie nodig hebben.

Laat het zwijgen van de dichter het spreken zijn.

Advertisements