de merel in de literatuur (67)

door johan_velter

Merelkitsch

Soms krijgt de merel een hoofdrol zoals in het gedicht ‘Stoer’:

merel met trompet // toet

Maar wat moet je daarmee? Een passende illustratie plaatsen.

Uit dezelfde bundel ‘Versneden’ (2005) van Herlinda Vekemans komt ook het gedicht ‘Behoed’ waarvan de eerste regels luiden: ‘een merel schuwt als op een kier / ook gisteren en morgen wellicht / kraakt een ochtend de winter verder open’. Ook dit is geen merelgedicht.

Dan Hilde Keteleer met ‘Patrimonium’ (‘Al wat winter is en waar’, 2001). De dichter ziet een merel een worm trekken. Dat beeld doet haar denken aan haar vader. En vanaf de tweede strofe gaat het verkeerd: de dichter veronderstelt slechts: ‘Honderden keren moet de merel / voorbij mijn vaders ogen zijn gehipt / als hij zijn spade in de grond stak, // […]. In de derde strofe gaat het dan helemaal verkeerd met de chronologie.

Ook hier: wat moeten we daar verder mee?

(Het is nooit de bedoeling geweest volledigheid te betrachten. Het was en is het plezier van het lezen.)

En natuurlijk zijn er nog tientallen merelgedichten her en der te vinden maar veel zijn gewoon gedichten van gewone dichters voor gewone mensen.

Een goed merelgedicht zegt iets over de merel –liefst geen clich?- maar ook iets over het oeuvre van de dichter. De merel is dan een noodzakelijkheid: de merel is geen mus, geen nachtegaal, geen arend. De beste merelgedichten zijn die waar je vanuit het beeld van de merel en het gedicht een oeuvre kunt benaderen. Van oeuvres die de moeite waard zijn.

Advertenties