de merel in de literatuur (56)

door johan_velter

Pbs_8

Een zaak vanuit verschillende gezichtspunten bekijken is een bij uitstek modernistisch standpunt. Op beeldend vlak heeft dit een vroeg hoogtepunt bereikt in het kubisme; in de literatuur is William Faulkner met ‘The Sound and the Fury’ eveneens een vroeg hoogtepunt. Dit standpunt heeft zich later in een sterk verwaterde en intellectueel zwakke manier gemanifesteerd in het cultuurrelativisme –maar hier speelden nog andere elementen een rol, zoals de neergang van de Romeinse moraal. Maar er was en is ook een verkeerde gedachtegang: het is niet omdat er verschillende manieren zijn om een zaak te bekijken dat de ene manier de andere opheft. De verschillende wijzen hebben op zichzelf een waarde en bestaan naast elkaar. Er is ook geen sprake van dat manier 1 ook wat van manier 4 en 5 moet hebben. Nee, elke wijze kan zichzelf zijn. Het is juist die diversiteit die bewaard moet worden, niet de fletse hutsepot.

Patrick Peeters begint zijn artikel over ‘Tien manieren om P.B. Shelley te zien’ (Een tuin van beelden: notities bij ‘Tien manieren om P.B. Shelley te zien’, Het teken van de ram, 1) met een citaat uit het hoofdstuk ‘De tuin der beelden’ uit ‘De verwondering’: ‘Het portret werd aldus versplinterd, […].’

‘Tien manieren om naar P.B.S. te kijken’ verscheen in 1993 als 18de uitgave in de Zwarte Reeks van uitgeverij Herik. Deze reeks gedichten zal datzelfde jaar in de bundel ‘De sporen’ verschijnen maar dan met de titel ‘Tien manieren om P.B. Shelley te zien’. De eerste titel verwijst duidelijk naar het bekende en hier al enkele malen vermelde gedicht van Wallace Stevens ‘Thirteen ways of looking at a Blackbird’. De handelseditie staat niet alleen door de titelverandering verder van Wallace Stevens (‘kijken naar’ en ‘zien’ zijn twee verschillende zaken). De Herik-uitgave had als motto ‘The mood / Traced in the shadow / An indecipherable cause’, een citaat van Wallace Stevens uit de ‘zesde’ manier van kijken. De handelseditie vermeldde de naam Shelley volledig, in de Herik-uitgave moest de liefhebber het doen met de initialen van de dichter. De bundel verscheen op 225 genummerde en gesigneerde exemplaren (dit was de courante oplage bij Herik). Er werd onmiddellijk een tweede druk op de markt gebracht (dit is te herkennen aan het afkappingsteken bij het nummer). De bundel werd geïllustreerd door Hugo Claus: er waren 9 penseeltekeningen, 9 figuren, 9 verschillende facetten.

In het achtste gedicht vermeldt Hugo Claus de merel van Wallace Stevens, maar doordat hij de meervoudsvorm gebruikt, is het ook niet meer de Wallace-Stevens-merel. ‘Zijn accenten en ritmes / waaien over de bevroren aarde. / Echo’s van goden en merels / en godslasteringen.’

Patrick Peeters vermeldt in zijn artikel drie bronnen waarop deze reeks gedichten steunt. Het gedicht van Wallace Stevens, het gedicht ‘Ode to the Westwind’ van Percy Bysshe Shelley en de Shelley-biografie van Richard Holmes.

Het gedicht van Stevens werd eerder vertaald door Hugo Claus. In Tijd en Mens nr. 6 verscheen zijn vertaling – daar nog verkeerdelijk toegeschreven aan William Carlos Williams. (Dit betekent echter niet dat Williams geen merelgedicht geschreven zou hebben. ‘The red-wing Blackbird’ is een klein gedicht: 2 strofen van elk vier regels. Hier gaat het overduidelijk over de Amerikaanse merel: schrille klanken als van een kikker.)

Shelley werd ook al eerder door Claus gebruikt. Dit is gebeurd in ‘De verwondering’ (de leraar gaf les over Shelley) maar ook in ‘Schaamte’: in de pornografische film ‘Maggot’s Desire’ werden Shelley en Byron vernoemd: ‘Oh my Goddess, Shelley cried shoving his cock into Byron’s ass, feeling his juices explode. Zoiets.’ (p. 32, 1972)

‘De manieren’ hebben Claus ook geïnspireerd om het werk van Alechinsky te beschrijven: ‘Dertien manieren om een fragment van Alechinsky te zien’ verscheen in de catalogus bij de tentoonstelling ‘Alechinsky’ in het Stedelijk van Abbemuseum in Eindhoven (22/3 tot 29/4/1963). De ‘dertien manieren is hier belangrijk maar ook het woord fragment. (Het gaat nog verder: Alechinsky schreef 6 ‘Nota’s omtrent een beet’: de vorm van deze korte tekst lijkt sterk op die van Hugo Claus. Deze tekst van Alechinsky verscheen in de catalogus ‘Pierre Alechinsky: grafiek: een keuze uit 205 litho’s en etsen gemaakt in de jaren 1947-1965’ (Stedelijk Museum Amsterdam, 17/02-27/03/1966). Deze fragmenten werden uit het Frans vertaald door Hugo Claus.) Dit alles maar om nogmaals te kunnen vermelden hoe lang Hugo Claus met onderwerpen, thema’s, oeuvres onderweg was.

Patrick Peeters wil met zijn artikel ‘een poging [ondernemen] om aan te geven welke elementen Claus uit zijn bronteksten selecteert, hoe hij ze inzet in zijn gedicht en wat dat voor een lezer zou kunnen betekenen.’ In dit en volgend stuk steunen we op het verhelderende en erudiete artikel van Patrick Peeters maar doen het toch weer anders. We volgen hem niet helemaal omdat hij de interpretatie van dit gedicht te traditioneel ziet, nl. te veel geënt op de klassieke beschouwingen: vegetatiemythen, Oedipus-figuur, de opstand tegen de vader.

In de Herikuitgave was de band tussen de reeks gedichten van Hugo Claus en het brongedicht van Wallace Stevens veel duidelijker: Claus gaf de serie een motto van Wallace Stevens mee. Patrick Peeters schrijft over het gedicht van Stevens: ‘Het begrip ‘merel’ krijgt in deze tekst geen eenduidige symboolwaarde. De merel staat niet enkel voor de aanwezigheid van de dood in dit leven. Door de vogel in variërende contexten op te voeren hechten zich verschillende betekenissen aan hetzelfde begrip.’ Toch is het ‘alomtegenwoordig doodsbesef’ volgens Patrick Peeters overheersend. En even verder schrijft hij: ‘Stevens tast de mogelijkheden af die een merel kan bieden voor een reflectie op kunst, leven en dood. Poëzie wordt voorgesteld als een esthetische respons op de aanwezigheid van de dood in dit leven.’

Dat de merel verbonden moet worden met de dood betwijfelen we ten zeerste. De merel staat voor de poëzie. Het is door het gedicht van Claus te lezen dat dit duidelijk kan worden. De verklaring van de merel is hier immers essentieel: hoe komt Claus van de merel naar Shelley?

Dat het gedicht van Claus ook over de dood gaat is de andere zijde: hij gebruikt hiervoor de biografie van Richard Holmes over de jonggestorven en romantische dichter Shelley. De Engelse dichter meent dat poëzie door de wind gedragen kan worden en zich  verspreiden als ‘vurige tongen’ – om de mensen te veranderen. Het is een immens en voor ons oneigenlijk geloof in het woord.

(Toevallig nam ik gisteren het boek ‘De tijd van verwondering: de ontdekking van de moderne wetenschap’ van Richard Holmes in handen. Dit is de vertaling van ‘The Age of Wonder’. Op p. 12, in de inleiding, schrijft hij dat ooit (dus in de Romantiek) de wetenschappelijke objectiviteit en de individuele subjectiviteit met elkaar verboden waren: ‘Ooit werden de twee verbonden in verwondering, […].’. Holmes publiceerde dit boek in 2008, ‘De verwondering’ verscheen in 1962. Het is duidelijk dat beide werken niet met elkaar in verband gebracht kunnen worden. Toch blijft het opvallend. Heeft ‘De verwondering’ van Claus te maken met de romantiek en mag dit begrip niet op een persoon geprojecteerd worden? Deze gedachte is op zijn minst valabel omdat Claus geen psychologiserend schrijver was. ‘De verwondering’ gaat dan over een tussengebied, een periode tussen twee tijdvakken. En indien het over de Romantiek gaat, of toch er zijdelings mee verband houdt, kan ook de harpij op de omslag in een ander perspectief gezien worden.)

Patrick Peeters schrijft hoe de dood bij Stevens en Shelley een andere functie krijgen. Bij de eerste wordt de dood geïntegreerd in het leven en de poëzie, voor de tweede is de poëzie een verweer tegen de dood. Peeters ontkent dit echter in zijn volgende zin: ‘Vindt Shelley nog troost in een poëtische eeuwigheidsconstructie, Stevens zal zijn verzen angstig, maar ook woedend en opstandig laten schreeuwen in het gezicht van de dood.’ Angstig, woedend, opstandig?

Patrick Peeters concentreert zich inhoudelijk vooral op de relatie met Shelley, de band met Stevens lijkt vooral de vorm te betreffen. Toch zijn er hier en daar mogelijkheden te zien. Op p. 247 schrijft hij bijvoorbeeld dat het onmogelijk is in de poëzie te ontsnappen aan het menselijke tekort: ‘Claus verwoordt deze visie door een beroep te doen op een fragment uit het vijfde gedicht van Stevens. Daarin verklaart de observator dat hij niet weet wat hij moet verkiezen, de schoonheid van verbuigingen of die van geheime gedachten. Het ligt voor de hand ‘de schoonheid van verbuigingen’ in deze context te lezen als ‘poëzie’. De dichter als zingende vogel is een bekend topos in de literatuur. Claus’ aanpassing van ‘buigingen’ in zijn vertaling van 1950 naar ‘verbuigingen’ versterkt deze lezing nog.’ En daarna gaat Patrick Peeters terug naar Shelley.

De intertekstuele elementen, concludeert Peeters echter, verhelderen het gedicht van Claus niet. Integendeel, ze verduisteren omdat het niet duidelijk is waar ze wel of geen rol spelen. Maar de bronteksten maken het ook niet helder wat een correcte interpretatie we moeten hanteren. Claus gebruikt deze teksten niet alleen/enkel/zozeer om zich af te zetten tegen hen, of om hun visie te bevestigen. Nee, hij neemt teksten tot zich als een ekster: er is geen onderscheid. Wat blinkt, is bruikbaar. En omdat de lezer geen bruikbaar kader vindt, moet hij dit gedicht ‘[…] ondergaan. De gevoelens van verwarring, opstandige woede, weemoed, verslagenheid, onmacht, ontreddering en ten slotte overgave die hij daarbij ervaart, spiegelen de ervaringen van de mens die geconfronteerd wordt met de dood.’

Dat Claus zich veel gelegen liet liggen aan de lezer?

Advertenties