de merel in de literatuur (55)

door johan_velter

Merel_beurskens

Huub Beurskens neemt in de bundel ‘Eigenlijk heb je alles al’ (2008), de cyclus ‘Trakl aan zee’ op. Hij verwerkt enkele motieven van de Duitse dichter in deze reeks, maar over de merel zwijgt hij. Toch heeft Beurskens de merel in zijn oeuvre opgenomen. Beurskens is een herfstdichter. Het leven heeft hem bedrogen, hij is bang voor ontgoocheling. In het gedicht ‘Pimpelmezen’ uit bovengenoemde bundel staat er: ‘[…] Hommelzoemen, / bloemenweiden, charme die ons jaar in jaar uit / bedroog. Laat maart toch blijven en […]’. De charme is de schijn, het goud van de begoocheling. In de tweede strofe echter relativeert hij zijn eerdere stellingname. En dit is welhaast typisch voor het dichten en denken van Beurskens: hij bouwt zijn constructies op these-antithese-synthese. Het is een denken/dichten in beweging: x is zo, maar y is ook zo. Het resultaat is soms een wankel besef van wie of wat de mens is. Een schommelen. Hij schrijft dat de pimpelmezen hem toch verrukken. ‘[…] Twee blauwe / pimpelmezen goochelen buitelend als acrobaten / knopjes groen tevoorschijn voor ons raam.’ Daarop volgt: Zet / ook de deur maar weer open: eens zal zelfs ik, tsie-tsit, / gerimpeld grauw gelegen, voorgoed naar buiten gaan.’ Er is wel vreugde over het leven in de natuur, maar ‘het buiten’ wordt op het eind toch geassocieerd met de dood. Het binnen is voor de dichter het ware leven; het buiten is er voor de vogels en de doden.

Beurskens heeft ook haiku’s geschreven. (Elke mens draagt een schande.) Bij uitgeverij Herik verscheen in 1999 ‘Het korte pad: japannerieën: studies in verf, de auteur’. De schrijver geeft een levensles: het hogere heeft ook het lagere. Zonder mest geen mens. ‘Merelzang die stokt; / een spat kleur plots op je rok. / ‘Geen eik draagt kersen — toch?’’ Het moet gezegd worden dat deze haiku de Westerse toepassing van de haiku verre overstijgt. Er is een natuurobservatie, een les, een raadsel.

In het werk van Beurskens komen veel schilders voor. Het gedicht ‘Chardin’ begint met een fantastische regel: hij beschrijft wat in kunst belangrijk is: ‘noch de dingen noch de lucht maar wat daartussen / in oplicht.’ Ook veel vogels (en andere dieren) komen in zijn oeuvre voor. Fazanten, leeuweriken, mezen, spreeuwen, merels. In het gedicht ‘Stappen in de sneeuw’ vormen de vogels in de laatste strofe een surrealistisch beeld: ‘Pas uren erna zag ik hoe je omgeven door allemaal spreeuwen / merels, mezen geheel jezelf eigen van me weg moet zijn gegaan.’ De associatie met de vogels is een bijna pre-modern beeld: een vrouwelijke Sint-Franciscus omgeven door vogels. Onmiddellijk hechten we daar ook een morele gedachte aan vast: wie de vogels liefhebben, is een goede mens.

In het derde sonnet van de ‘Steijler sonnetten’ verhaalt Beurskens van zijn eigen conceptie: ‘toen van het aanstaand vaderbeest de dadersgeest zo brulde / dat even elke merelman het zitten fluiten had verleerd.’ Of, de man in de natuur. Het overstemmen. De concurrentie. Het brullen. Er is ook een tegenstelling: de bronst van de toekomstige vader tegenover de gewijde stilte van de nonnen.

In ‘Een nieuwjaarsbrief’ herinnert de merel de dichter aan zijn plicht een nieuwjaarsbrief te schrijven aan zijn moeder. Omdat de dichter wist dat er enkel clichés in de brief stonden, was hij niet tevreden over zichzelf. Toch huilde zijn moeder — moeders en oude mannen huilen om clichés. In de vijfde strofe komt hij weer over de merel te spreken die nu centraal staat in een reflectie over de tijd: ‘Mooi steekt het geeloranje af / bij zwart van veren in de sneeuw. / Maar de vogel lijdt eronder. / Merels leven negen zomers, / hoogstens. Ons ontvluchtend, bomers: / “Niets of alles is een wonder.” / Nooit langer dan een kleine eeuw / is tijd meting, is tijd geen grap.’ Merels kunnen langer dan negen jaar leven, maar het is zeldzaam. De gemiddelde leeftijd van een merel is anderhalf jaar maar het is onduidelijk hoe dit gemiddelde berekend wordt: op basis van de legsels, de geboren merels, … ? Er zijn weinig merels die volwassen worden en daardoor kan het gemiddelde naar beneden gehaald worden. Maar een volwassen merel die wat geluk heeft, kan langer dan het gemiddelde leven. (Het is altijd aangenaam om ware woorden in poëzie te lezen.) Deze strofe is een quasi zijdelingse beschrijving door de dichter: hij ontvlucht daarmee het directe aanspreken tot zijn moeder. Er is deernis voor de vogel en zijn afsterven; zijn lijden in het leven. De vogel (de schoonheid?) ontvlucht ons als de tijd. Beurskens gebruikt hier de traditionele kleurtegenstellingen: het geel in het zwart, het zwart op het wit. De contrastwerking van een schilder.

Ook in ‘Zang en verdoving’, de bundel uit 2003, komen vogels voor. De titel verwijst weer naar het dubbelzinnige: er is zang (wat opzwepend kan zijn en dus vernietigend) en er is verdoving (wat geluk kan zijn maar ook het omgekeerde, een coma). Het zijn de antithesen die hier weer een rol spelen: het leven, het quasi-leven, de dood. De vreugde en het terneergeslagen zijn.

Lemen vogels fungeren in ‘Natuurlijke historie of wat ik dacht’ als tekens van hoop en liefde. Daarmee zijn ze nauw verwant met de vlinder die in vroegere tijden als de drager van de ziel gezien werd. De vogel kan de aarde ontvluchten en toch behoort hij er ook toe. Er is een vrijheid, een licht, een onbelemmerd zijn. De lemen vogels werden gemaakt door een vrouw die op sterven lag en haar kinderen een aandenken wilde geven. De nacht dat ze stierf: ‘[…] en / hoor een vogel zong De natte tuin.’ De man van de gestorvene geloofde dat de vogel met de dood te maken had. De dichter vervolgt: ‘Of het een merel was? Waarschijnlijk / zingt hij heel de zomer al op dezelfde tak / […]’. De dichter demystificeert, brengt het geloof naar de aarde terug. Want ook de raaf behoort tot de zangvogels. Suggereert de dichter daarmee dat het de raaf is die tijdens het sterven gezongen heeft of wil hij de ander bevrijden van de begoocheling dat het zingen is? Dan komt op het einde weer het beeld van de merel: ‘zou ik moeten oefenen met een katapult / de godganse dag om me in het nachtdonker / te posteren en me af te wenden dan // met een doelloos schot / van het eigeel eerste kwinkeleren / uit een bosje zwarte veren.’

In zijn gedicht voor Stefan Hertmans, ‘Altijd iets met september’, komt de merel naar voren als de vreugdebrenger, de belofte. ‘[…] Wonderen worden verricht. / Merels zingen in de seringen. Je wordt meegetroond / naar vruchtbeginsels gekroond met bloeisels allerhande / kameraad. Je zwicht opnieuw. April had altijd iets met jou.’

Ook het gedicht ‘Onder de linde’ spreekt van een verwachting, een toekomstgevoel, terwijl het even goed over melancholie en het voorbije gaat. De linde met zijn bedwelmende geur staat symbool voor de zomer, de warmte, de vrede, het zoet-aangename (zei ook zij niet: ‘mijn zoeteke’?). Aan de voet van de linde speelt ‘een man op de hem door mij verbeelde / mandolien hoewel hij pas de jongen is / die ik voor hem ben geweest. Orgelend // in de kroon zingt een merel mee.’

‘Zo traagzaam’ is een gedicht voor Ton Lemaire. Beurskens vertelt over wat hen bindt: de natuur, het zwijgen, het cultuurpessimisme. Beiden zijn gefascineerd en als het ware betoverd door de zang van de vogels ‘[…] maar het liefst / alleen. Zo traagzaam komt de avond aangetreden. / De uil van Minerva vliegt straks naar ons waarheen.’

Maar het grote merelgedicht is ‘Waar de merel vloog’. Het is een jeugdanekdote. Twee jongens. De ander is ouder en sneller. Een durver. De ik is de latere dichter, dus in alles iets minder dan zijn vriend. Ze zijn in het bos. De durver wil blijven, de dichter gaat naar huis. De merel in de tweede strofe vermaant de jongen, hij is hier als de engel die de jongen leert te leven: ‘Verlang zong de merel / in zijn vlucht zo voor me langs / naar hoe de merel / langsvloog in zijn zang.’ (Ik vermink hier de typografie van het gedicht: de technische mankementen van deze blog, niet bedacht op intelligent gebruik van letters en leegte.) De dichter beschrijft een cirkel. Verlang naar dat wat is. De zang verwijst naar het zingen zelf. Het doel van de dingen ligt niet in externe doeleinden maar in zichzelf. Wat is de zin van liefde? Het is de liefde. Van kunst? De kunst. Van poëzie? De poëzie. Van de natuur? De natuur.

De volgende strofe doet denken aan de tuin van Trakl (die in één van de volgende strofen genoemd wordt). ‘ik dacht aan waar het blauw / merkwaardig verstilde tussen / het zachte zoemen der hommels. / Het weerlichtte. De merel / zong Op een nagelbloementak.’ En ook hier is de merel de voorbode van het onheil. In de volgende strofe komt de moeder van de durver vragen waar haar zoon is. De dichter zegt waar hij hem het laatstegezien had. En als de Petrushaan: ‘Boven / me de merel floot Op het zolderdak.’

De dichter wordt door wroeging overmand: hij had bij zijn vriend moeten blijven, hij had de moeder moeten vergezellen. Radeloos keert de moeder van haar vruchteloze zoektocht terug. ‘[…] De avondmerel / vloog. In de tuin raapte ik een steen. / Zo raak je hem nooit zei een engel die // zomaar achter me stond. Hij nam zijn slinger. / Een kerel tuimelde langs mijn raam. Johnny / pakte hem aan een vleugel uit het gras // en liet mij er in mijn handen mee. Bengel! / gilde zijn moeder waar kom jij vandaan? / Nog geler loog zich een ring om ieder oog.’

De merel is in dit gedicht een ritmerend en wisselend gegeven, hij is een boodschapper, een veerman tussen leven en dood. Begoocheling en realiteit. Hij kan in de laatste strofen zowel Johnny, de durver, zijn maar ook de engel. De bengel kan de levende Johnny zijn maar ook de dode. En dan is de merel de incarnatie van de kwajongen, zijn ziel die toch door de moeder herkend wordt. De ik wil de merel met een steen treffen, het ongeluk daardoor ongedaan maken. De ziel terugroepen. De merel vastnemen om de vriend te koesteren.

Advertenties