de merel in de literatuur (48)

door johan_velter

Gesang zur Nacht. Strofe 3. ‘Wir sind die Wandrer ohne Ziele, / Die Wolke, die der Wind verweht, / Die Blumen, zitternd in Todeskühle, / Die warten, bis man sie niedermäht.’
Er zijn versregels die een heel leven begeleiden.

In het werk van Georg Trakl behoort de merel, samen met de kleur blauw (wat de invloed van Novalis is) en de zuster, tot de idyllische wereld. Dit betekent niet dat de merel enkel voor het onschuldige symbool staat. Het beeld is niet eenduidig en complexer dan een vreugdevol zingen.

Uitgeverij Umbra was in de jaren negentig actief en heeft – voor zover ik kon nagaan – 10 boeken uitgebracht. ‘Het laatste goud van vervallen sterren’ is een tweetalige uitgave. De vertaler was Jan U. Terpstra, de inleiding werd geschreven door C.O. Jellema. De papieren stofomslag en de omslag zelf zijn blauw. Op de omslag staan in de rechterbovenhoek in blinddruk de initialen van Georg Trakl. Het boek meet 16 cm op 24,5. De verticale vorm is een statige, het klassieke wordt door de vorm benadrukt. Dit wordt bevestigd door het gebruik van de klassieke Bembo. Waren maar meer boeken met zo’n liefde uitgegeven.

In het voorwoord beschrijft Jellema (o.a.) de rol van de merel in het oeuvre van Trakl. Hij begint met het vroege gedicht ‘Schwesters Garten’. De herfst wordt beschreven, er is melancholie. ‘Ein Amselruf verirrt und spat.’ De zang van de merel is verdwaald en laat. In de herfst is de merel nog nauwelijks te horen. Het horen van de merel doet de dichter de idyllische wereld van het blauw, de merel en de zuster oproepen. Deze tuin, en Jellema gebruikt het woord ‘hortus conclusus’, is de plaats die van de wereld is afgescheiden, waar het leven stil en bewegingsloos is. Het is het paradijs van de kindertijd, nog niet bezoedeld door de volwassenheid.

Van het gedicht ‘Frühling der Seele’ schrijft Jellema: ‘De merel, diens zang en roep, is associatief verbonden met de paradijstuin van de kindertijd. […] ‘O milde dronkenschap / In de glijdende boot en het donkere roepen van de merels / In kinderlijke tuinen.’ Het donkere moet met de kleur van de vogel verbonden worden maar ook met de dreiging. Het werk van Trakl wordt immers beheerst door de relatie met zijn zuster. Er is verlangen naar haar, maar ook schuldgevoel over het incestueuze. De interpretatoren spreken enerzijds van de gelukkige, paradijselijke kindertijd en anderzijds van de volwassenheid die verscheurdheid met zich meebrengt. Waar echter de cesuur tussen beide gebieden te leggen? De zonde is immers in het paradijs gebeurd. De idylle is dan niet meer probleemloos. Vandaar het donkere roepen: de merel staat voor het zorgeloze, het vreugdevolle maar tegelijkertijd ook voor de overtreding, het binnengaan in de donkere wereld van passies, verboden, onduidelijkheden, onzuiverheden. De zang der sirenen.

Dan komen er de grote Trakl-gedichten aan. Eerst het ‘Kaspar Hauser-lied’. In de tweede regel schrijft Trakl ‘den singende Schwarzvogel’ en dit wordt door Jellema probleemloos begrepen als de merel, terwijl Terpstra dit letterlijk vertaalt als ‘de zingende zwartvogel’. Huub Beurskens vertaalde dit (Het zwijgen in de steen’, Meulenhoff, 1981) als ‘de zingende merel’ en Frans Roumen (‘Gedichten’, Ambo, 1990) als ‘de zingende lijster’. Dit laatste is verkeerd. ‘Schwarzvogel’ doet denken aan ‘blackbird’. En in de Jellema-interpretatie van het oeuvre via de merel, klopt zijn verklaring wel degelijk: ‘[…], verschijnt de merel als ‘de zingende zwartvogel’, als beeldteken van natuurlijke onschuld en doodsdreiging tegelijk.’

Ook in dit gedicht beschrijft Trakl eerst een paradijselijke toestand. In het tweede deel komt met de stad ook de ondergang (in meer dan 1 opzicht is ‘Een winter aan zee’ van Adriaan Roland Holst aan Trakl schatplichtig). De stad staat voor de beschaving, de volwassenheid en dus het verloren gaan van de onschuld, het zuivere.

Het tweede grote Trakl-gedicht bestaat uit twee delen: ‘An den Knaben Elis’ en ‘Elis’. De Trakl-studie is het er nu over eens dat met Elis een jonge mijnwerker bedoeld is (de gedichten zijn gebaseerd op een ware gebeurtenis) die op zijn huwelijksdag in een mijnschacht viel waar hij niet meer uit gehaald kon worden. Jaren later –zijn bruid was een oude vrouw geworden- vond men hem. Hij was nog steeds de jonge bruidegom. Luisteren we nogmaals naar C.O. Jellema: ‘In de eerste strofe van ‘Aan de knaap Elis’ verschijnt weer de merel. Afkomstig uit ‘Schwesters Garten’, het kindparadijs waarin al een schuldkiem was gelegen, daarna als ‘zingende zwartvogel’, als duidelijk ambivalente betekenisdrager in het ‘Kaspar Hauser-lied’ aanwezig, is de roep van deze vogel in het nu zwarte bos de verkondiging van Elis’ ondergang.’

‘Elis, als de merel in het zwarte bos roept: / Dit is je ondergang.’ Elis is niet alleen de eeuwig-jonge man maar hij staat ook symbool voor de oude tijd die nog wel glanst maar niet meer in leven is. De wereld die in eenheid bestaat, is niet meer. Nu is er verbrokkeling, zijn er fragmenten, slechts manieren. Trakl is een overgangsfiguur (maar is niet elke mens dit, is niet elkeen een Kaspar Hauser?): hij treurt om wat verloren is, terwijl hij ook onverbiddelijk weet dat het voorbij moet zijn. Hij treurt om het verlorene omdat hij zich nog niet thuis voelt in het nieuwe. Het verleden is het paradijs omdat het heden zich nog niet heeft kunnen ontwikkelen. Het gaat niet alleen over het dichterschap maar over het mens-zijn.

Jellema vermeldt het niet in zijn interpretatie maar er is nog een gedicht waarin de merel voorkomt: ‘Gesang einer gefangenen Amsel’. Trakl beschrijft hier niets maar laat de merel zelf zijn klaagzang horen en dit treurlied is louter beschrijvend. Ik citeer de vertaling van Terpstra: ‘Donkere adem in het groene takwerk. / Blauwe bloempjes omzweven het gezicht / Van de eenzame, de gouden schrede / Wegstervend onder de olijfboom. / Opfladdert met dronken vleugel de nacht. / Zo zacht bloedt deemoed, / Dauw, die langzaam drupt van de bloeiende doorn. / Erbarmen van stralende armen / Omvangt een brekend hart.’ De merel – en ook de dichter – is een Christusfiguur.

 

Bart Baele heeft in de jaren 1999-2000 een aantal merel-schilderijen gemaakt. Het merkwaardige hiervan is dat de merel zowel aan heraldische vogels als aan het kruisbeeld doet denken. De vorm verwijst naar de adelaar en dus de overwinning, de vernietiging maar ook naar het kruis en dus de nederlaag, de ontmoediging. In de merel heeft Bart Baele de lijdende mens geschilderd. Het lijden afbeelden is tegelijk ook de troost voorstelbaar maken. Op het eerste schilderij staat de snavel van de merel open maar we kunnen ons nauwelijks voorstellen dat hij zingt. Hij hapt naar adem of het leven heeft hem reeds verlaten. Het merellijf is als het zwart gewaad, een zwarte pij, van een boetedoende mens, een lijdende. In het tweede schilderij lijkt de merel een geknakte nek te hebben en is de merel het kruis zelf geworden. En de Christus wiens bloed uit zijn zijde vloeit: het zich opofferen om de zonde uit de wereld te halen. De wit-blauwe achtergrond is bedrieglijk –de merel is geen eetfestijn- maar maakt het lijden zachter, lichter. Menselijker.

Merel_2_001Merel_2_004
Advertisements