de merel in de literatuur (47)

door johan_velter

Het werk van Tomas Tranströmer kom je (kwam ik) niet zo gemakkelijk binnen. Wat is de betekenis van deze woorden? Alles lijkt te gewoon, het zijn maar woorden naast elkaar. Hij heeft ook haiku’s geschreven – een meer dan valabele reden tot wantrouwen. Veel beschrijvingen. Veel natuur – maar wat doe je met zoveel natuur? Geleidelijk komt de stem je vertrouwder voor. Dit is niet het werk van een poëet maar van een mens die getuigenis aflegt van zijn leven. En dus van het verleden, het land, de anderen, de vrienden. De natuur verschijnt niet zozeer als het vreemde, als dat waarover men verbaasd kan zijn, of door verheugd kan worden. De natuur is een gegevenheid en krijgt een ‘natuurlijke’ plaats in het leven – het denken, het handelen.

Plots zie je de gewone wijsheid van een man waarin je je koesteren kan. Je voelt niet zozeer de cultuur maar de civilisatie. Hij neemt politieke standpunten in: tegen de vernietiging, de dictatuur, de dwang. Soms is hij bijzonder kernachtig. Het gedicht ‘Nachtboekblad’ eindigt met de tweeregelige strofe: ‘Mensen met toekomst / in plaats van een gezicht.’

Dan zijn er de beelden die deze poëzie een normaal surrealisme verlenen. Men valt van het ene beeld in het andere. De droomwereld lijkt een doodgewone te zijn. Er is een grensgebied en het poëtische bevindt zich daar. Het poëtische mag niet begrepen worden als het meisjesachtige maar als dat wat er nog is, ook al is de definitie al gegeven. Het is het ‘toch’. ‘Een winternacht’ is hiervan een mooi voorbeeld. Het is bijna een kinderlied. Er is een vrolijke, bijna baldadige toon. (De laatste strofe doet het gedicht echter ineenstuiken.) Maar zie deze eerste: ‘De storm zet zijn mond aan het huis / en blaast om toon te maken. / Ik slaap onrustig, draai mij om, lees / met gesloten ogen de tekst van de storm.’ In het gedicht ‘Hommages’ treedt o.a. Paul Eluard op die een muur opent om een tuin te laten zien.

De beelden zijn op zichzelf begrijpelijk – en toch ook niet. Bij een eerste, oppervlakkige lezing kun je het tussengebied, het meergebied, vergeten te zien. Maar het is er altijd en het toont zich ook. In het indrukwekkende gedicht ‘Oostzeeën’ uit 1974, schrijft hij ondermeer over een componist die een hersenbloeding gekregen heeft: ‘Hij schreef muziek op teksten die hij niet langer begreep – / op dezelfde manier / drukken wij iets met onze levens uit / in het neuriënde koor van versprekingen.’ Iets, versprekingen: dat wat er naast is.

Het nu bestaat voor Tranströmer niet als een uniek gegeven. Het is gevoed door het verleden, door de feiten en de waarden. Het nu is bij hem ook geen eindpunt maar een schakelmoment in een keten van opeenvolgende generaties. ‘Maar voor ieder mens wordt een eigen encyclopedie geschreven, / zij groeit in iedere ziel, // […] Het boek der tegenspraken.’

In het gedicht ‘De boom en de wolken’ wordt de merel in een vergelijking getrokken. ‘Er loopt een boom in regen rond, / snelt ons voorbij in het neerstromend grijs. / Hij heeft een opdracht. Hij onttrekt leven aan regen / zoals een merel in een boomgaard.’ Zoals?

Het gedicht ‘Ochtendvogels’ was voor professor Bolckmans een aanleiding om over de vertaling van Bernlef te zeggen dat hij wel heel veel enjambementen gebruikt die niet in het oorspronkelijke Zweeds te zien zijn. Bolckmans vermoedde dat Bernlef de gedichten te gewoon vond en dat hij ze daarom iets ongewoner wilde maken. Tranströmer noemt de ekster in dit gedicht een ‘hellevogel’. Over de merel zegt hij: ‘En de merel heen en weer hippend tot / alles één houtskooltekening wordt, behalve de witte kleren aan de waslijn, een palestrinakoor:’ Door het voortbewegen van de merel wordt alles (wat toch wel heel veel is) zwart met uitzondering van de witte kleren die er als een palestrinakoor uitzien. Hier wordt –als uitzondering- eens niet over het zingen van de merel gesproken – het zingen wordt naar de witte kleren verlegd. Het is het bewegen van de merel die de aandacht leidt naar het wit dat zingt: een ‘koor’. Maar misschien zingt het ‘koor’ ook niet, en beweegt het – net als de merel. (In het verzameld werk met de titel ‘De herinneringen zien mij’ (De Bezige Bij, 2002) staat na ‘palestrinakoor’ een dubbele punt. Nogal verloren op het einde van de strofe en de volgende ‘strofe’ bestaat uit 1 regel ‘Nergens lege ruimte hier.’, dat een herhaling is. In Raster 21 (1982) staat na ‘palestrinakoor’ gewoon een punt. Ach, De Slordige Bij.)

Advertenties