de merel in de literatuur (46)

door johan_velter

Is jazz muziek? Zeker niet meer de laatste jaren. Als jazz nog te horen zou zijn, dan toch niet meer het publiek.

Er is een verschuiving gebeurd: jazz wordt meer en meer beschouwd als klassieke muziek. (Deze zin staat qua cultuurfilosofisch cynisme gelijk aan een doorwrocht essay.) Ik ken ze wel: die vijftigers en zestigers die moe van het leven en zichzelf zijn. Geen R&R meer kunnen verdragen (niet omdat die te simpel zou zijn, jazz is nu ook niet zo moeilijk), punk nooit begrepen hebben. Ze willen het nu rustiger maar te leeg en te lui voor klassieke muziek, prefereren ze jazz. Jazz heeft de songstructuur en –tijdsduur. Het is veraf, het is ook blank, het speelt in warenhuizen en op Klara, je kunt er bij drinken: het is voer voor deze tijd. Men wil gevaarlijk leven, men prijst cafémuziek. Men is al wat ouder, maar men wil toch nog jong zijn. Men luistert naar jazz, men vindt zichzelf solidair met de onderdrukte neger, men eet Japanse hapjes, men drinkt witte wijn, men hangt, men is verdoofd. Er is ook improvisatie: hoho, hard man! Dat is pas leven zie je ze denken. Hun voeten in kousen driftig heen en weer bewegen.

Adorno had – alweer – gelijk.

Marc Van den Hoof, de man die jarenlang jazzplaatjes draaide op Klara, gaat met pensioen. Hij krijgt een interview in De Morgen (4/6/11). Uiteraard, jazz als de muziek van het flauwt, is het verbindend teken.

Echter. Wie Charlie Parker (‘bird’) ooit gehoord heeft, weet wat muziek en wat muzak is. (Het is een merkwaardig fenomeen dat alle nieuwe dingen in het allereerste begin reeds een hoogtepunt kennen en dat het daarna alleen maar bergaf kan gaan. De boekdrukkunst? Kijk naar Aldus Manutius. Zie hoe modern, helder, klaar en duidelijk dit is en zie dan de hedendaagse drukrommel. Wat is de abstracte kunst nog na Malevitsj geweest? Het kubisme na Braque en Picasso? Wat na Richard Long? En het bewijs van het tegendeel: is de Vlaamse kleinkunst ooit boven Miel Cools geraakt?)

Aan het begin van het interview met Marc van den Hoof wordt een sfeerbeeld geschetst. ‘Binnen kwinkeleert [sic, de opschrijver van dienst is deze keer Lander Deweer] Klara, buiten een rei vogels. “’s Avonds komt hier in de dakgoot altijd een merel veel te luidruchtig en assertief fluiten”, wijst hij [d.i. de eminente jazzkenner]. “Ik zal hem moeten overstemmen met mijn klarinet. Daar heb ik nu toch tijd voor.”

Arme buren, die het afgrijselijk jazzgejank zullen moeten verdragen. Arme merel, die geteisterd zal worden door onwelluidende klanken. Arme cultuur, die geen onderscheid meer wenst te maken.

Van den Hoof kon echter ook Dietmar Dath raadplegen. Deze Duitse schrijver publiceerde (met een duidelijke verwijzing naar Wallace Stevens) ‘Dreizehn Möglichkeiten, eine Amsel zu ignorieren’ (2000). Dit gaat van de merel gewoon te negeren, ‘Bohemian Rhapsody’ van Queen te laten horen (in vertaling zouden we hier een jazzdeuntje kunnen vermelden) over de huidige werkomstandigheden en de consumptiecultuur. Over dit laatste gaat dit verhaal. De merel is een aanleiding. Maar toch ook niet. De merel staat immers voor het andere. En de vertelling gaat over ‘mogelijkheden’ – die er in de huidige tijd niet meer zijn. Dath schrijft een anti-utopie. Hij schrijft over mensen die door het arbeidsproces en de kapitalistische cultuur vernietigd worden. Waar Marx over de rozen aan de ketenen sprak, heeft men nu andere verdovingsmiddelen. Zoals de jazz – ik misbruik op een schaamteloze manier Dietmar Dath want hij spreekt niet over jazz.

In ‘Achte Möglichkeit’ koopt de hoofdpersoon zich een ‘holoplayer’ (d.i. een bril die hem bij een tekst of muziek een ervaring teweegbrengt). (Een ervaring!) Hij krijgt gratis (!) twee teksten: een SF-drama en gedichten van Wallace Stevens, maar dit laatste vindt de hoofdpersoon Georg Wilhelm Friedrich Vivazuschauer (Hegel is aanwezig) ‘Lyrik-Kram’. De tekst van Dath is een aaneenrijging van fantastische gebeurtenissen die echter niet vrijblijvend zijn. Het zijn mogelijkheden een mens te vernietigen. De mens laat zich verdoven door zogenaamde fantasie. Hij gaat op in de ervaring, om zichzelf te verliezen. Deze ervaring is niet door hem opgebouwd maar hij wordt gewikkeld in een mentaliteit (hier een beeld van Magritte) die hem vervreemdt – van de werkelijkheid en zichzelf. Aliënatie.

Er zijn citaten van Lenin, Karl Marx, Gilbert Ryle. Zijn hoofdpersonage treedt binnen in de ervaring van het gewelddadige, het hedendaagse. Daartegenover staat de poëzie van Wallace Stevens: de oude orde. De merel vermijden is hier de cultuur vermijden, het denken, de fantasie. Het zelfdenken, het eigen mens-zijn. De echte wereld. De ervaring die door de techniek gegeven wordt, is een valse. Is consumptiekitsch. De tekst is een aanklacht tegen de bewustzijnsindustrie.

Dat hedendaagse bibliotheken zich willen profileren (!) als ervaringsplekken is niet vrijblijvend maar een daad van vernietiging. Domheid ook.

Er is iets merkwaardigs aan de hand met de stijl van Dath. Hij staat dichter bij de wereld van beelden dan bij die van het woord. De taal is onverzorgder, er zit veel vaart in, er is slordigheid in het denken, minder aandacht voor de lezer. Er is springerigheid, geen boekenchronologie. De woorden moeten gesproken, niet zozeer gelezen worden. Er is een drijvende, onuitgesproken, kracht die de woorden vooruit jaagt. Soms ook Kursbuch-achtig. En zeker: APO.

Advertenties