de merel in de literatuur (42)

door johan_velter

Het nulnummer van Terras is gearriveerd. Het voorwoord had geschrapt mogen worden. De auteurs en hun teksten zijn echter een blij weerzien. Lof voor de moed van de initiatiefnemers, lof voor de ondersteuning van Perdu.

Hoe is het dan te begrijpen dat de vormgeving zo inspiratieloos, slordig, banaal, vlak en ronduit vuil is? Het formaat van het tijdschrift is een gevouwen A4-blad. Dat is gemakkelijk en daar is niets op tegen. Maar de vormgever heeft de vorm niet in de hand: de tekst is op het papier gegooid. Er is geen evenwicht, er is geen maat. Het omslagbeeld staat niet in wisselwerking met de teksten en met wat de redactie lijkt te beogen. De titels en de auteursnaam boven de teksten zijn simpel en kinderachtig gezet. In sommige teksten is de interlinie veel te ruim genomen. De letter is banaal, het papier bureaucratisch wit. Wat een gemiste kans. Nu oogt dit blad als een schoolkrantje. Maar het levert ook weer een bewijs: de pseudo-typograaf zet zijn paginanummers bovenaan (maar ook weer niet helemaal bovenaan) in de zijmarges. Daardoor kunnen de paginanummers de woorden aanvreten en aanvallen. Hoho, modern! (Men moet van zeer goeden huize zijn om met paginanummers te mogen experimenteren – en er zijn er die dit kunnen – en dus mogen.)

In het nulnummer staat een gedicht van Tonnus Oosterhoff met de titel ‘59’ – oh nee, sorry, dit is de paginering. Het gedicht is titelloos en het is –alweer- een grandioos gedicht. Ook nu weer is het een hoofdgedicht. Het gaat over een val en wat dit in het hoofd teweegbrengt. Herinneringen, verdwazingen, hernemingen, gedachten: ‘en ik werd een zak kromme, bevende jongetjes / ik had niet vallen moeten’.

Als het woord niet zo beladen was, kon je Tonnus Oosterhoff een existentialistisch dichter noemen. Hij beschrijft het oppervlak, het buitenste van de mens en het zijn de gedragingen die de mens zijn en verklaren. Het geheugen gaat over dingen, gebeurtenissen: het interpreteert niet, doet niet aan psychologie. Toch is er een innerlijk aanwezig: het wordt veelal verzwegen. Merkwaardig is ook dat Oosterhoff de woorden herhaalt, varieert. Dit duidt op zijn aandachtig observeren van het eigen ik (en dus van de mens): ons denken draait vooral, is een draaikolk. Zelden denken we zoals de tijd rechtlijnig gaat. We draaien en door het draaien verschuiven we enigszins. De een naar het donker, de ander naar het licht.

In het werk van Oosterhoff wordt er veel gestruikeld: de gedachten tuimelen over elkaar, de woorden versmachten elkaar, de zinnen verstrikken zichzelf. Er wordt ook fysiek gevallen: daar ligt een mens.

Over de dichterlijke vorm van het oeuvre van Tonnus Oosterhoff is al veel gezegd. Misschien is dit alles toch nog te eenzijdig.

De vorm van zijn poëzie loopt gelijk met een exploderend verstand, de hersenen zijn niet meer in vorm (in de twee betekenissen). Het hoofd moet in ebdwang gehouden worden maar het galoppeert (weg). Over dit oeuvre wordt gezegd dat het experimenteert met de typografie en dit wordt dan postmodern geduid. Maar toch is er weinig experiment. Er is wel durf om dit te doen, om in te gaan tegen het dwangmatig-eenzijdige.

Het handschrift dat Oosterhoff in zijn poëzie introduceert, is niet zozeer de beweging van stilstaande, definitieve naar onaffe vormen maar eerder een menselijke daad, het aanvaarden van het onvolmaakte. De zieke, haperende mens tonen als een volwaardige. De gedichten van oosterhoff beschrijven het mechaniek mens. Ze zijn een ‘illustratie van’ een materialistisch wereldbeeld. Ze zijn te situeren in de traditie van Lucretius en de Lamettrie.

De drukletters in een boek zijn een uiting van een streven naar het universele. Het al te individuele van het handschrift wordt verlaten en de letters worden louter teken –hebben geen betekenis meer. Het zijn de woorden, de zinnen die de betekenis vormen. Het boek is een product geworden waar de individuele, persoonlijke stijl (handstijl) uit verdwenen is.

Tonnus Oosterhoff wil met zijn geschreven woorden en zinnen benadrukken: ik ben hier nog, vergeet me niet. Daarmee maakt hij ook een vuist tegen de formaliserende trend die eigen is aan het modernisme: hij benadrukt de vorm van het individu, het onleesbare, het eigene, het opstandige. Hij schrijft door de papieren drukvormen heen, net alsof hij papieren dwangvormen (formulieren) verwerpt (of toch ironiseert) en zegt: dit is bureaucratie, hier heb je een merel.

Het gedicht ‘Je bent (net als) een zieke beuk je blad’ uit ‘Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen’ (zie ook boven het citaat uit ‘Terras’ !) bevat de zinnen: ‘De graficus is echter als een merel / die zingt in de top van een boom / Telkenmale herhaalt hij zijn lied / volledig in elke afdruk die hij maakt’.

De graficus is niet de typograaf. De eerste staat meer in de kunst dan de tweede. De eerste is een kunstenaar, hij is zowel de technicus als de inventor. De tweede dwingt en bedwingt het meanderende. De graficus is hij die als een merel kan zingen, hij is het individu dat vrij is. De beuk in de gedrukte versie van het gedicht verwijst naar ‘boek’. De in drukletters geplaatste woorden worden driemaal herhaald, daartegenover worden ook de boven geciteerde regels driemaal herhaald. Ze zijn een bezwering tegen de normale mens (of beter tegen de zich als normaal voordoende mens).

De titel ‘handschreeuwkoor’ van de dichtbundel uit 2008, moet dus letterlijk genomen worden: het is de hand die (het handschrift dat) schreeuwt om aandacht en dit schreeuwen is tegelijkertijd ook een daad van opstand: omdat het niet zwijgt. Het handschrift is het struikelende, het stotterende, het kan teruggenomen worden Daarmee is het handschrift ook een verzet tegen de lineariteit van het hedendaagse kapitalisme (de economie die van grondstof tot product marchandeert), van het westerse denken: het draait, het keert, het herhaalt. De dans van de hand staat tegen het marcheren van de gedrukte letters.

De teksten/woorden die Tonnus Oosterhoff in zijn eigen boek schrijft, zijn ook een uiting van een kwajongen. Het is het commentaar van de schooljongen die kwaad is om de verloren uren, om de onvrijheid en de dwang. Het is commentaar in de marge, het duidt, het corrigeert, het voegt toe.

De dichter laat verschillende stemmen in zijn werk binnen, bijv. in het gedicht ‘dat is waar daar stond’ uit ‘Wij zagen ons in een kleine groep mensen veranderen’. Zelf maakt hij nauwelijks een onderscheid tussen wie wat zegt. Ook hier is het een quasi-chaos, maar een chaos die niet gewelddadig of agressief is maar een menselijke, dagelijkse chaos, zoals het leven is. Het is een realisme dat binnengelaten wordt. Opvallend daarbij is –en dit is tegelijkertijd onmogelijk- dat Oosterhoff geluiden, stemmen in zijn gedichten onderbrengt: het gaat niet zozeer om beweging zoals een filmpje op internet beweegt; het gaat om wat onvatbaar is, wat veranderlijk is, wat efemeer is en vervluchtigt. Het gaat om het merelslied.

De poëzie van Tonnus Oosterhoff is niet zozeer een zoektocht om van het volmaakte (gedrukte) gedicht weg te raken, maar wel een manier om de onvolmaakte mens een plaats in de wereld, de kunst, de literatuur te geven. Oosterhoff schrijft geen formalistische poëzie maar een diepmenselijke: hij doet de mens recht door geen verhaaltjes te vertellen maar door verhalen te maken. De handgeschreven zinnen zijn dus geen correcties maar aanvullingen, verbeteringen. Dit laatste niet van de gedrukte tekst maar in een morele betekenis: het menselijke maakt de kunst beter. (Wat Joosten en Vaessens in ‘Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen’ (2003) schrijven is dus niet helemaal juist. De handgeschreven notities van Oosterhoff maken het gedicht immers even definitief als een normaal gedrukte versie, want het is even goed gedrukt. Het gaat niet om het definitieve, het gaat om het afwijkende, het individuele, het voor iedereen aparte, eigen ziektebeeld.)

Men doet de dichter Oosterhoff onrecht aan door hem in een formalistisch net (het oeuvre) in te sluiten.

Advertenties