voormalig

door johan_velter

Hugo Camps schrijft een hagiografisch interview voor Maurice Lippens in de voormalig linkse krant / in de voormalige krant De Morgen en schrijft ook nog: ‘Of om het met de woorden van Teilhard de Jardin te zeggen: […]’ (4 juni 2011)

In de voormalige kwaliteitskrant / in de voormalige krant DS van 28 mei noteert Charlotte Van Doren de woorden van Carl De Keyzer: “‘De mosselpot’ van Duchamp, dat zorgde voor de ontdekking van nieuwe wegen in de kunst.” Een normale journalist zou dit corrigeren.

In DS van 4 juni schrijft Lennie Stinissen de gebruikelijke onzin over Jeroen Bosch: nog steeds wordt Bosch gezien vanuit het surrealisme uit de twintigste eeuw. ‘Over het leven en werk van kunstschilder (!) Jeroen Bosch is weinig [ge]weten. Zijn voorliefde (!) voor de slechtheid van de mens, zijn monstermensen en hallucinante taferelen maken hem tot een apart (!) geval in de kunstgeschiedenis. Was hij tijdens het schilderen onder invloed of psychotisch? Probeerde hij door droombeelden het onderbewustzijn van de kijker te prikkelen?” 4 zinnen, 4 onjuistheden. Ook wat in vraagvorm gesuggereerd wordt, is en blijft onkunde, onwetendheid, dwaasheid. Bosch wordt gezien vanuit een freudiaans verhaaltje. Verder gaat het niet. De sensatie van het woordje o dat ontsnapt uit het ronde mondje.

In DS van 11 juni schrijft Charlotte van Doren een interview uit met Freya Van den Bossche, ‘minister’ van. Van? De aanleiding is een reeks boekjes die DS uitbrengt over enkele musea in België, die zaterdag over het SMAK. Het is ontstellend hoe iemand die nog nooit in iets geslaagd is, in de media opgevoerd wordt als een autoriteit. Van wat? Van.

En weer krijgt de lezer een stortvloed van clichés over zich heen. Voor haar kinderen is het SMAK een fantastisch museum –dat dit iets over het beleid zegt, wordt niet zo bedoeld. Het is al onzinnig om met kinderen naar conceptuele kunst te gaan: het beeldende is hier slechts een nevenverschijnsel, maar een museum wordt hier ook gezien als een pretpark. Deze vrouw zegt: ‘Het leuke is dat je hier om de zoveel weken kunt binnenstappen en nieuwe indrukken kunt opdoen.’ ‘Leuk’… Welke indrukken er kunnen opgedaan worden, wordt natuurlijk niet vermeld: indrukken zijn immers slechts indrukken. Voor een indruk moet de kijker geen enkele moeite doen, zij kan passief blijven. Ze kan even goed voor de televisie hangen of een lekkende kraan bekijken: het zijn indrukken.

Deze uitspraken typeren het anti-intellectualisme van een bevoorrechte kaste. Geen gedachte, wel een indruk. Kunst is iets dat leuk is, een prentje, iets voor de zondagnamiddag. Dat elke dictatuur het anti-intellectualisme propageert en verplicht, is deze generatie een zorg: ze heeft de macht en ze gebruikt die macht ook op een verpletterende manier. Marx leerde ons dat de arbeider alleen zijn arbeidskracht had. Vandaag de dag moet daaraan toegevoegd worden: ook hersenen. Maar het is deze bevoorrechte kaste die juist de hersenen van de mensen afneemt. Dit soort doet alsof de wereld bestaat uit pretjes, uitstapjes en hinniken. Het zijn deze activiteiten waarvoor deze kaste zich laat betalen. Men noemt zichzelf socialistisch, men is anti-democratisch, anti-emanciperend. De mens wordt hier nog louter gezien als een consumerend ding dat op café gaat. Dit zogenaamd socialisme beperkt de mens dat wat is, is niet langer een oproep tot wat zou kunnen (en moeten) zijn. Daarom is dit zogezegd socialisme ook reactionair en mensonterend.

Wat is voor dit soort de essentie van kunst? ‘Emotie. Dat één beeld zonder woorden zoveel kan oproepen bij iemand, vind ik sterk. Ook architectuur kan dat. Ik hou ook van boeken en gesprekken, maar die hebben zoveel woorden nodig.’

Uiteraard emoties, in de betekenis die tegengesteld is aan het intellectuele. Uiteraard kan een beeld ‘zoveel’ oproepen en wordt dat ‘zoveel’ nooit geëxpliciteerd. En uiteraard ‘houdt ze van’ boeken, maar helaas zijn er voor boeken woorden nodig.

En dus kan de lezer zelf ook wel haar ‘conclusie’ verbeelden: ‘Uitleg bij een kunstwerk biedt volgens haar dan ook geen meerwaarde, integendeel. ‘Ik vind uitleg vaak storend.’’ Er bestaat een kunsthistorische bibliotheek die uitlegt hoe kunst bestaat, hoe kunst verweven is met de maatschappij en het intellectuele leven. Ook in de kunst van de 20ste en 21ste eeuw is geen enkel kunstwerk nog onbevangen en moet bij elk werk een zinnige uitleg gegeven worden. Maar deze vrouw heeft dit allemaal niet nodig: ze vindt zichzelf meer dan intelligent en elke kennis van anderen is storend –ze stoort de eigendunk. In de praktijk moge duidelijk zijn wat dit betekent: er is geen beleid, er is enkel een eigen carri?replanning. Niet nepotisme is het kernwoord, het is domheid.

Zou men tegen dit soort zeggen dat kunst ook iets meer is dan emotie, men zou u ongelovig aankijken en uitlachen.

Pascal Cornet verwoordt het op een andere manier, over een andere kwestie maar het gaat over hetzelfde .

Advertisements