de merel in de literatuur (40)

door johan_velter

De jagerverhalen van Iwan Toergenjew zijn voor ons, stedelingen uit de 21ste eeuw, nog nauwelijks verstaanbaar. Toergenjew beschrijft hoe de verveling aan de basis van dat jachtleven ligt, hoe ‘hij’ van het ene naar het andere gebied trekt, daar in kou en vochtigheid op de loer ligt om een dier te kunnen verschalken en dan overnacht in een soms schamel nest. Wanneer je deze verhalen met een sociologisch oog leest, overvalt je de nutteloosheid van de Russische maatschappij, het ontstellend gebrek aan intelligentie, inzicht en menselijkheid. Een poel van achterlijkheid. Een land als een slaapkamer –of een doodshuis.

In 1940 gaf de ‘Wereldbibliotheek’ als een Pinksterpremie ‘Gedichten in proza’ (‘Senilia’) van Toergenjew uit, vertaald en ingeleid door Aleida G. Schot, de belangrijke vertaler uit het Russisch. (Steeds weer valt op hoe onhedendaags de uitgeverij Wereldbibliotheek was: ze had plezier in het maken van boeken.) Over deze ‘Gedichten in proza’ schreef Schot: ‘Deze korte lyrische ontboezemingen dragen over het algemeen sterk den stempel van den ouderdom, de retrospectie, de herinnering, met alle weemoed en soms ook bitterheid van dien.’

Deze mijmeringen zijn inderdaad van zelfbeklag doordrongen en ver verwijderd van het meesterwerk ‘Vaders en zonen’. In een eerste verhaal dat voor deze bloemlezing geselecteerd werd, wordt de individuele merel die de ik hoort veralgemeend naar de abstracte, eeuwige merel, een bijna afgeleide van de platoonse idee. De ik wordt verteerd door een onmogelijke liefde en bij het ochtendgloren (‘kwart voor drie’) hoort hij de merel: ‘[…], daar zong en floot en tierelierde een zwarte merel, onafgebroken, luid en zeker van zichzelf.’ In die klanken hoort Toergenjew de eeuwigheid. De merel weet –volgens hem- dat straks de zon terug op zal komen, dat de natuur haar eigen gang wel gaat. Maar de merel heeft geen individualiteit, er is geen eigen ziel. Deze merel en de merel van 1000 jaar geleden zijn dezelfde. Daarentegen heeft de man die zich in zijn bed ligt te kwellen wel een eigen ziel. De schrijver dankt daarop de merel, niet dat hij getroost is maar wel heeft het merelgezang even de last overgenomen. Daaropvolgend ontkent Toergenjew wat hij eerder zei: de merel troost hem wel, want door zijn bespiegelingen beseft hij dat ook hij in de eeuwigheid zal opgenomen worden – en wat is het aardse leed dan nog van tel? De merel is voor Toergenjew hier een gelukzanger (‘zijn onbewogen, eeuwig, van geluk doordrongen lied’) dat tegenover het ongeluk van deze mens gesteld wordt. Maar het geluk van de merel is een onbewust geluk: het is het geluk van een redeloos dier. De mens staat tegenover de natuur: daar het geluk, hier de ellende. Het zingen van de merel contrasteert.

Een tweede verhaal in dit boekje heet ‘De merel. II’. Het is weer ochtend, de auteur ligt weer in bed en weer hoort hij een merel. Verliefd is hij ook nog en weer is er geen troost. En hij denkt aan de slachtoffers van de Russisch-Turkse oorlog (1877-1878). Wat is het liefdeslijden van het ik in vergelijking met het lijden van de soldaten? De merel is hier slechts aanleiding. En de mijmering over de soldaten is er ook met de haren bij getrokken. (Het opvallendste aan dit stukje is echter het oordeel van Toergenjew over de bevelhebbers die hij ‘onbekwame leiders’ noemt. Reeds een voorafschaduwing van wat in de Tweede Wereldoorlog onder Stalin en zijn trawanten zal gebeuren: door de onbekwaamheid van de legeraanvoerders werden duizenden en duizenden soldaten vermoord. Later heeft Stalin zich op de borst geklopt met de ‘miljoenen’ gesneuvelden in de strijd tegen het fascisme: de grote opoffering van het communistische rijk en de Russische mens moest gecompenseerd worden ?n was een reden om het eigen volk te onderdrukken. In het Westen werd dit sprookje herhaald. Maar het was wel degelijk de onbekwaamheid van de misdadiger Stalin en zijn medebandieten die deze ‘miljoenen’ doden veroorzaakt heeft. En zelfs dit voorbeeld van anti-intellectualisme kan deze, men zegt onze, tijd niet verhinderen de dwaasheid te vieren.)

Advertenties