de merel in de literatuur (26)

door johan_velter

Op het einde van de aria ‘Per te lasciai la luce’ uit ‘Delirio amoroso’ van George Friedrich Händel hoor je (en ik spreek hier van de versie van Natalie Dessay) een merel zingen. Het is een lied van liefdesverdriet. De woorden zijn in Franse vertaling (van Elsa Rooke): ‘Ah! Arrête ton pas incertain, / ou si tu veux me fuir, / dis-moi au moins pourquoi.’

Natuurlijk is Händel niet de enige die als metafoor voor de liefde de vogel bezigt. De hele middeleeuwse traditie werd dit gedaan. De vogel is in zijn vele gedaanten een seksueel symbool geweest. Een vogel in de kooi, was voor vele vrouwen een triomf.

Ook Haydn heeft de merel in zijn muziek binnengesmokkeld –maar wie wil nu nog naar Haydn luisteren?

Eugène Damaré (1840-1916), schreef als Op. 161 ‘Le merle blanc’. Het is muziek voor piccolo en piano. Deze merel is inderdaad wit, meer piccolo dan merel. Of een dolgedraaide vogel in een kermismolen.

De Franse componist Henri Dutilleux (1916) schreef in 1950 het stuk ‘Blackbird’.

Het begin van het pianostuk is verrassend: je ziet de merel vallen. Dan komt er een clownesker stuk zoals een merel nooit kan zijn en dan heb je vooral pianomuziek. Het tempo is te hoog, een merel is bedachtzamer –ook al zie je soms alleen maar zijn schaduw. De muziek is te nadrukkelijk, de merel is schuwer. De toon te laag, de zang van de merel is scherper, hoger. Dutilleux bouwt een valse spanning, een onnodige geheimzinnigheid op. Toch is dit een goed stuk muziek.

Olivier Messiaen (1908-1992) was een katholiek componist. De schepping was voor de schepper zijn eigen loflied. Messiaen bezong de vogels door ze niet na te bootsen: zijn muziek heeft weinig met vogelgeluiden te maken. ‘Over’ de zwarte merel heeft hij een kort stuk geschreven: ‘Petites esquisses d’oiseaux’, 1985. Daarover schreef hij: ‘Le merle noir chante quelques strophes ensoleillées, un peu victorieuses.’ Toch hoor je ook hier te veel de toetsaanslagen: dit is geen merelgezang maar (slechts) pianomuziek.

Maurice Ravel liet de merel horen in zijn ‘Oiseaux tristes’.

G. Brands (van wie binnenkort bij Druksel een bundel gedichten verschijnt) schrijft in ‘Kraaien tellen tot vier’ (Barbarberboek) dat de merel een diepe fluittoon heeft en dat volgens Thijsse de merel ‘Marietje’ roept, i.t.t. de zanglijster die ‘Frederiek’ of ‘Pietje’ roept.

In 2004 liet Jos Swiers ‘Vogelslag’ verschijnen – het idee was van Ed Schilders, de uitwerking gebeurde door Swiers, de soms grappige tekeningen zijn van Johan Breuker (De Althaea Pers, 2004, 25 exemplaren). Het werk wil een fonetisch vocabularium zijn van het lied, de roep en de zang van vogels. Het geheel is gebaseerd op een viertal in Nederland verschenen vogelgidsen. De klanken zijn alfabetisch geordend. De eerste vermelding is ‘dsieng-dsieng-dsieng: een van de roepen van de merel. Zie ook: tak-tak-tak; tjoek-tjoek-tjoek.’

Een tweede: ‘tak-tak-tak: een van de roepen van de merel. Zie ook: dsieng-dsieng-dsieng; tjoek-tjoek-tjoek.’ Maar er is ook: ‘tjing-tjing-tjing… alarmroep van de merel. Zie ook: tjoek, tjoek.’ Ook zijn er nog: ‘tsie: een van de geluiden van de merel, wel heel dunnetjes voortgebracht.’ ; ‘tsjink-tsjink: een van de geluiden van de merel. Betrekt hij een slaapboom of bestookt hij een uil dan is dit zijn favoriete roep. Zie ook: tsie; tsjoek-tsjoek.’ en ten slotte ‘tsjoek-tsjoek lokroep van de merel, die aangroeit tot een lang uitbundig geschetter bij onraad. Zie ook: tsie ; tsjink-tsjink.’

De auteur is zich terdege bewust van de hem zelfopgelegde moeilijkheid bij het samenstellen van het vocabularium – ook al verzamelde hij wat anderen vermeldden. Hij stelt terecht dat de zang complex is én gekoppeld aan specifieke situaties. Hij concludeert: ‘[…] aan de vermelding van vogelgeluiden in vogelgidsen heb je niks. […] Aan een alfabetisch overzicht van vogelgeluiden dus nog minder.’

Advertisements