de merel in de literatuur (24)

door johan_velter

Lucht

In het oeuvre van Anneke Brassinga komen vele vogels voor. De natuur is voor haar een spiegel. De bundel ‘Verschiet’ (2001) is in de rijkdom van haar oeuvre een hoogtepunt. Het motto van P.B. Shelley is een citaat uit zijn gedicht ‘Song for Tasso’, een lamento maar ook een hoop: wanhoop hoeft het leven niet te verlammen of te doden. De bundel bestaat uit drie secties: Merelloos, De waakhond van het hart en Andermans. De eerste sectie bestaat uit 20 gedichten waarvan het zesde eveneens ‘Merelloos’ heet. De bundel ‘Verschiet’ is in het oeuvre van Brassinga ook een keerpunt. Waar het taalspel vroeger soms een ‘wegvluchten’ van het leven was, een creëren van een afgesloten, parallelle wereld, is de taal hier aardser, directer. De woorden zijn er niet enkel meer om zichzelf maar ook om het leven. De titel ‘Verschiet’, wat als de verte kan gelezen worden, is een hoopgevend woord: er is toekomst, geen geslotenheid. In deze bundel wordt de periode die door de –soms zinloze- levenspijn gedomineerd werd, afgesloten.

‘Roeping’ is het eerste gedicht uit deze reeks en ‘Fluit er een merel, dan voel ik geluk.’ de eerste regel. Brassinga beschrijft het geluk dat het merelgezang oproept. Ze verbindt dit met de onzekerheden over plaats (China) en tijd (3 Februarij 1603): stel dat de merel zingt in China en ik hier ben, ontloop ik dan het geluk? En wat als ik op weg naar China ben, hoe kan ik hier dan leven zonder geluk? Stel, zegt ze, dat ik naar China zal reizen, zal ik de merel dan niet missen? ‘Roeping’ is ook ‘De tuinman en de dood’ van P.N. van Eyck – omgekeerd. Het gaat over het lot (het leven) en die (niet) te ontlopen. Waar Van Eyck de dood als centraal element nam, is dit bij Brassinga het geluk: kan men aan het geluk ontsnappen? De hele bundel door speelt Brassinga met negaties van negaties. ‘Roeping’ is in de vroege februarimaand geschreven. Brassinga verwijst naar ‘3 Februarij 1603’ –wat ongetwijfeld een citaat is, maar de bron heb ik niet gevonden- en schrijft ‘[…], naar verwacht mag // over zes weken, in mijn tuin hun [d.i. de merels] lied weer / klinken; […]’.

In het tweede deel van het gedicht schrijft ze dat het wachten moet afgesloten worden: het merelgezang moet zonder merels mogelijk zijn. De bron moet niet meer elders gezocht worden, maar het is de innerlijke stem die moet weerklinken. Ze sluit zich af van de geluiden en verbeeldt zich dat ze X of Y is (hier en daar, toen en nu) die het geluk kent en (daardoor?) de merel hoort. De laatste zin is geen plompverloren zekerheid maar een aarzeling (en nog steeds een ongeloof): ‘Dan vangt in mij misschien het zingen aan.’ ‘Roeping’ gaat over de poëtische bron, over de humane kracht te dichten, over de oproep zichzelf te zijn. (Richard Minne: ‘Gelijk een bron / zijt ge in de zon / op de hoogvlakte van Pamir.’) Toch is dit geen oproep tot solipsisme. Daarvoor is de eerste regel te duidelijk. Maar Anneke Brassinga stelt dat de twee polen er moeten zijn: de oorzaak (het gezang van de merel) en het gevolg (de predispositie om dit te aanvaarden). Dit gedicht gaat over wat moet.

Op de site van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, staat een enigszins andere interpretatie ( http://www.kb.nl/dichters/brassinga/brassinga-03.html )
: ‘
<Geluk zit soms in kleine dingen. Zoals in het gezang van een merel.’ Een sentimentalisering en een verkleining van het gedicht.

Het tweede gedicht, ‘Aanzoek’, begint met de welhaast klassieke regel ‘Ik ben al vaak door mijzelf op straat gezet,’. Hier spreekt de dichter haar poëtische kracht aan: ‘Blijf met mij hokken in dit schrale ribbenkast / in het innig bed van geest, bij het weerlicht / getemperd door weemoed, van ons verstand.’ Die kracht bestaat uit geest, verstand, getemperd door emoties – een visie die denken doet aan het filosofische werk van Martha Nussbaum. De ratio zegt dat het nooit genoeg is (of dat het nu wel genoeg is), maar de zachtheid van de emoties moet de hardheid van het verstand omhullen. De dichter zoekt een evenwicht.

Het derde gedicht, ‘Heden’, beschrijft de dichter als een Orpheus die aan de poort tussen leven en dood staat. De dichter is gedoemd de dood van de ander in het leven mee te dragen maar ze weet dat ze daartoe niet in staat zal zijn. Ook de dood (of het niet-leven) is (niet langer) de bron van het dichterschap.

De twee volgende gedichten gaan over Italië, respectievelijk Venetië en Rome. In het eerste gedicht buigt Anneke Brassinga zich over de schoonheid, die volgens Stendhal steeds een belofte van geluk inhoudt. Ze stelt die tegenover de onthechting en ‘der werelt stofkens’ –woorden van Hendrik Stevin. In deze waterstad kan het water zowel wellust als verdrinking betekenen. De laatste regels bevatten het zuigeffect van het water ?n de macht erover: ‘En zie – ik boog, allengs gevleugeld, / mij liefdevol over de zonsopgang in de diepte.’ Het ochtendgloren (de zon) wat toekomst is, de reflectie van het zich buigen, de diepte die spiegel is. ‘Verschiet te Rome’ is een even hoopvol gedicht. De ruïnes die de ‘ik’ in het leven gemaakt heeft, zijn niets vergeleken met die van Rome als ze door avondgloed worden doorzinderd. Dit leidt tot het inzicht dat alles een keer kan hebben en niet fataal moet zijn.

‘Merelloos’ is het volgend gedicht. Jos Swiers, (o.a.) de Anneke Brassingabibliograaf en uitgever van De Althaea Pers, wees me er op dat dit gedicht in een eerste versie (met slechts minieme afwijkingen tegenover ‘Verschiet’) ‘Moederdag’ (Tirade 1999, nr.382) heette. De dichter beschrijft eerst een kastanjeboom die krankzinnig geworden is door de ‘brullende merels’, de boom is als een kathedraal en de verwijzing naar het kruis (‘een baltsende jezusboom’) en zijn walmende kaarsen is ‘oneerbiedig’ maar visueel duidelijk. Daar tegenover (achter de kastanje in het gedicht) ‘staat goddank haveloos, volslagen kaal / het takkelijf van moeder esdoorn lief / te wenken: Kind, kop op![…]’. De moeder roept en wenkt: het is haast winter. In haar jeugd bedenkt de dichter, bestond het voorjaar zonder haar – dus merelloos. Het denken aan die tijd doet haar huilen. De laatste strofe bevat een verwijzing naar J.C. Bloem ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’: ‘Nabij nabij o en voorgoed nabij o / koude klonterpap van modderdonker / merelloos het binnenste der aarde schoot.’ Het kernwoord (en de moeilijkheid) is het woord schoot. Is het een werkwoord of moet het verbonden worden met aarde: de schoot van de aarde – wat aan de moeder doet denken (maar waarom werden de woorden dan niet aan elkaar geschreven?). De dichter weet dat de merelloze tijd – haar jeugd, de tijd van de wanhoop en het verdriet – nog steeds bestaat. De opdracht is, zie het motto van Shelley, desondanks te leven. Met vreugde en aanvaarding.

Het volgende gedicht herneemt het donkere en enz. Met een slot: vitaliteit.

Daarbij komt nog een specifiek element van Brassinga. De merel (en bij uitbreiding de vogel, want bij Brassinga komen veelvuldig vogels voor) is een luchtelement. (Daarom is ook de muziek voor Brassinga een belangrijke kunstvorm.) Het weidse en het onvatbare staan voor poëzie. Geen gebaande wegen, geen vooropgestelde doelen, geen vastgelegde woorden. De vrijheid van de geest: het verstand en de gevoelens.

In de bundel ‘IJsgang’ (2006) staat het gedicht ‘Heen’. Hier is de merel veel minder een symbool. De merels zijn een aanleiding om te mijmeren over de kwetsbaarheid van het leven: in de warmste dagen van het jaar zwijgen ze, lessen ze hun dorst en leven ze ‘van schrik en beven’. Ik citeer de eerste strofe: ‘In de hondsdagen versterft het wilde gezang. / Bij de kom in het gras is de merel komen drinken / vier lange teugen voor hij weer vloog – / wat leeft, leeft van schrik en beven.’ Het gedicht gaat verder over de dood van een geliefde en hoe daar mee geleefd moet worden. Hoe in de zomer de brandende zon de schaduwen (wat ook als schimmen begrepen kan worden) doet ontstaan. Maar de schaduwen mogen ook letterlijk als schaduw gelezen worden. Licht en donker behoren beide tot het leven.

Advertenties