de merel in de literatuur (14)

door johan_velter

Doem! Magie! De Vrouw! Het Wezen!

In hedendaagse literatuur voor en door vrouwen wordt het naturalisme vervangen door magie, het curieuze. Alice Hoffman schreef in 2004 ‘Blackbird House’. Het verhaal hangt aaneen van onmogelijkheden, van zuchten ‘het is toch erg’ en ‘zien zij hun eigen ongeluk niet?’. Er is een groot stuk bangmakerij bij: de natuur overstijgt de mannelijke rationaliteit, de mannelijke maatschappij en de mannelijke wetenschap. Uiteraard treedt er ook een heks op. In dit soort literatuur mag ‘de reactie’ nog botgevierd worden: de mens kan niets en als hij iets doet, doet hij het verkeerd. Het hedendaagse fatalisme. Het feest van de natuur.

Het hoofdpersonage is een plek in een vissersdorp. Wat er in de loop van de eeuwen gebeurt, wordt in 12 hoofdstukken verhaald. Een los verbindend element is de merel. Een kleine jongen, in de achttiende eeuw, heeft een merel als huisdier. Hij is de jongste zoon. Het gezin wil, in tegenstelling tot de andere dorpsgenoten, boer zijn (ook rapen spelen het boek door voor draad). Nog een laatste keer wordt uitgevaren. De vader en de twee zonen komen om. De jongen had de merel meegenomen, maar op het moment dat hij verdrinkt laat hij de merel vliegen. Hij kan zich redden. De vogel zal het verlangen van de jongen bewaarheiden. Ooit vroeg hij zijn moeder of hij de merel kon leren spreken. En wat zou je de merel dan wel laten zeggen?, schamperde zij. ‘He’d say: I’ll never leave you. I’ll be with you for all time.” Eén jaar gaat heen: de moeder wil niet aanvaarden dat haar zonen en haar man gestorven zijn. Maar na een jaar ziet ze de merel terug die helemaal wit geworden is, en beseft daardoor (!) dat ze de dood moet aanvaarden. De witte merel blijft op de plek.

Maar één van de zonen heeft de storm overleefd – de witte merel kan blijkbaar toch niet de waarheid vertellen. Enzovoort. Tot het heden.

De witte merel wordt hier beschreven als een mythische vogel die eeuwen kan blijven leven. De merel blijft wel degelijk op dezelfde plaats maar de vraag is of hij beschermt of het onheil afroept. En waarom zou hij dat doen? Onduidelijk is wat kwaad de vogel berokkend zou zijn of wat zijn beweegredenen zouden zijn.

Hoffman heeft een filmisch element binnengebracht: je ziet het cliché van het huis aan het water, rotsachtig landschap, veel grijs en mist en dan een witte merel. Die witheid verbindt de schrijfster met het wit van de wolk (de merel is een luchtdier, onderstelt de schrijfster). In sommige verhalen lijkt de merel onheil aan te kondigen. Dan verschijnt hij in een droom. Maar in sommige verhalen speelt de merel ook geen enkele rol. Soms vermeldt de schrijfster plichtbewust de merel (‘Hij stond zo vroeg op dat de merels nog niet wakker waren.’) Het motief van de merel is –ondanks de titel- verre van uitgewerkt. De merel is een (flauw) structurerend element. Maar toch alludeert Hoffman op volksgeloof, op ‘andere tijden’. De witte merel behoort niet langer volledig tot deze wereld maar hij is een ‘geest’, een ‘spook’. Een vogel die op de rand van de wereld leeft. De wolken, het uitspansel behoren tot het heelal, het rijk der goden. Er worden nooit pluimen van de witte merel gevonden: hij is er, en hij is er ook niet. Men zou kunnen veronderstellen dat in dit proza van Hoffman de witte merel de ziel van de verdronken jongen uit het eerste verhaal symboliseert. Maar dan nog is onduidelijk wat de jongen, zijn naam was Isaac, drijft? Of waarom hij geofferd moest worden – ook al heette zijn vader niet Abraham.

In het verhaal (hoofdstuk) ‘India’ lijken de merels een andere rol te zullen spelen. Hun gezang wordt door het personage herkend als de bevestiging van een bestemming: ja, hier en nu, dit huis moet je kopen (dat dit allemaal ellende zal zijn, wordt op dat moment nog niet beseft). Er zitten 24 (!) merels op het dak: ‘One for every hour of every day. One of the birds appeared to be white, and surely that must be a sign of good fortune to come.’ Hier zijn de personages (nog) niet in staat om de tekens juist te lezen, te interpreteren. Ze lezen wat ze willen lezen. Even verder laat Hoffman het personage zeggen: ‘My mother was also mistaken about those blackbirds that were perched along the roof of our house. They were bad luck, not good. Everyone knows a white blackbird is nothing more than a ghost, a shadow of what it ought to be.’ Hoffman verbindt de merel niet alleen met het uitzonderlijke (en dus gevaarlijke) maar ook met het bovennatuurlijke. De witte merel kan plots in een wolk veranderen en verdwijnen (en wordt dit ook niet zo getekend in stripverhalen: opgelost in lucht?). Er wordt geen uitleg gegeven. De aanwezigheid is voldoende. Het teken is een teken.

Brr, zeggen haar lezeressen.

Advertisements