de merel in de literatuur (4)

door johan_velter

Witte_merel

‘L’histoire d’un merle blanc’ van Alfred de Musset verscheen voor het eerst in ‘Scènes de la vie privée des animaux’, 1842. De illustraties waren van Grandville, een karikaturalist die in de sfeer van de negentiende eeuw prenten maakte: futuristisch, universalistisch en gedetailleerd. (Het surrealisme heeft zijn wortels in de Franse dagbladen.)

Dit verhaal, deze parabel, allegorie werd in 1949 in het Nederlands uitgegeven door de Wereldbibliotheek-Vereniging. De vertaling en de illustraties waren van André Vlaanderen (1881-1955) – een Amsterdammer die voor de kost reclamevormgever was (o.a. voor de Gazelle-fietsen) maar in Brugge gestorven is. De prenten zijn niet bijzonder. Ze zijn — ondanks de titel — nogal zwart — maar kan een witte vogel anders getekend worden dan met het zwart contrasterend?

‘Un merle blanc’ is in het Frans een vaste uitdrukking. Een “correcte” vertaling is: een witte raaf.

In het verhaal van Alfred de Musset staat de witte merel voor het genie van de eenzame dichter. Maar De Musset is toch meer dan het cliché van de romantische schrijver: hij ironiseert. De witte merel mag wel denken dat hij een miskend genie is, dat denkt hij toch vooral zelf. De merel staat hier symbool voor de verwaandheid van de dichter, voor de over het paard getilde schrijver. Dit is geen groots verhaal: het is allemaal nogal duidelijk en simpel gesteld, er zijn contradicties en gemakkelijkheidsoplossingen.

Le Marais, Paris. (De plaats is merkwaardig: in de negentiende eeuw was de merel nog vooral een bosvogel, geen stadsvogel. Ook merkwaardig is dat de Musset tweemaal vermeldt dat de merel in de nacht zingt. De merel is echter geen nachtvogel. Hij reageert soms wel op licht, ook schemerlicht.) Vader en moeder merel zorgen voor hun nest. Uit één van de eieren komt een merkwaardig wezen en als het opgroeit wordt het steeds duidelijker: deze merel is niet zoals de andere kinderen. Hij krijgt geen zwarte veren maar wordt wit. De vader verstoot zijn zoon: jij bent geen merel, jij ziet er niet uit als een merel, jij zingt niet het merellied.

De merel vliegt weg. Een houtduif vervoegt hem. Zijn levensvervulling is te reizen. Dat hij niet weet wie zijn vader is, deert hem niet. Dartelen is ook leven. De witte merel denkt: ‘Als ik geen merel ben, ben ik misschien een duif.’ En samen vertrekken ze naar Brussel. Alras beseft de merel dat hij geen duif is en van uitputting valt hij neer in een korenveld waar hij door twee parmantige dames gevonden wordt: een ekster en een tortelduif. Aan hen vertelt hij zijn verwarring. De ekster lijft hem in: jij bent geen merel maar een buitenlandse ekster. (Moraal: elk ziet de ander zoals zichzelf, reduceert het vreemde tot het gekende en erkent het andere niet.) En ook de duivin voelt wel wat… De merel is verward en verliefd op beide vogels. Om uit de onzekerheid te treden, besluit hij voor hen een lied te zingen. Het zingen zal duidelijk maken bij wie hij hoort. De ekster treedt verschrikt achteruit. De merel blijft zingen, haalt toeren uit. De ekster gaat nog verder achteruit, vliegt uiteindelijk weg. De duif koert: ‘Vaarwel, vreemdeling, die zo lief en vervelend bent!’

De merel verzucht: ‘Eilaci, muziek! Eilaci, poëzie! […] wat zijn er weinig harten die u verstaan.’ Nu maakt De Musset het ons wel zeer duidelijk: vanaf hoofdstuk 4 weten we dat het om de kunst zal gaan. Dan ontmoet de merel een kaketoe. Maar dit is niet zomaar een papegaai, nee, dit is de grote dichter Kacatogan. De Musset ironiseert, maakt zijn pompeusheid en verwaandheid lichtelijk belachelijk. Hij is de dichter die alles kan: groots en dood. Ook als mens tekent hij hem scherp: hij is enkel met zichzelf bezig. En … hij is besmettelijk.

Onze merel gaat verder met avonturen te beleven. Hij komt in een bos te Mortfontaine terecht. Ook daar wordt hij door de andere vogels verstoten. Hij vliegt terug naar het ouderlijk nest: verdwenen! De boom is omgehakt. Hij treurt maar hoort opeens twee mensen spreken. De een zegt: ‘Als jou dat ooit lukt, dan krijg je van mij een witte merel cadeau!’ Deze — niet zeer wonderlijke — zin, doet in onze merel echter het zelfbewustzijn ontstaan. Hij is een ‘w i t t e ‘ merel, een genie, zichzelf! En dat zal hij ook waarmaken.

Onze merel verbeeldt zich dus dat ook hij kan dichten en waarlijk: het lukt. Europa staat versteld. Hij heeft succes. Hij wordt beroemd. Hij houdt zijn deur gesloten. Hij is verheven. Hij is echter een dichter vanuit ressentiment. (Romantiek is onecht, vals en kleinzielig, toont De Musset aan.): ‘[…], ik zal een volmaakte witte merel zijn, een echte, ongewone schrijver, gevierd, vertroeteld, bewonderd, benijd, maar volslagen nors en onverdraagzaam.’

Hij krijgt brieven van bewonderaars en bewonderaarsters. Vanuit Engeland bereikt hem een brief van een witte merlette. Zij komt naar hem toe. Wat een geluk! Bovendien is ze gevoelig en schrijft ze romans: ‘Ze was het type van een geletterd merelwijfje.’ Helaas. Wat blijkt? Ze heeft hem bedot: ze is een gewone, witgeverfde merel. De bedriegster wordt ontmaskerd.

Wat kan een dichter dan nog doen? Hij trekt zich uit de wereld terug om ongestoord te kunnen leven.

De wind voert hem terug naar Mortfontaine. Daar hoort hij de nachtegaal. De merel spreekt hem toe: jij, jij bent gelukkig. Jij hebt alles: vrouw, kroost, zang, vrienden, geen kranten, de natuur. Hij beseft nu: ‘Ik heb ook gezongen, mijnheer, maar het was erbarmelijk. Ik heb woorden als Pruisische soldaten in het gelid gezet en ik heb flauwiteiten aan elkaar geregen, terwijl jij in de bossen was. Wat is het geheim?’ De nachtegaal antwoordt: niet wat jij noemt, maakt me gelukkig. ‘Ik ben verliefd op de roos, waarvan de Perzische dichter heeft verteld. Ik zing voor haar alle nachten mijn keel hees, maar ze slaapt en hoort me niet. Haar kelk is op dit uur gesloten; ze wiegt er een oude mestkever in — en morgenochtend, wanneer ik mijn bed weer opzoek, uitgeput van leed en vermoeienis, dan zal ze opengaan, opdat een bij haar hart verslinde!’

De Mussets verhaal gaat ook over overmoed: hoe een ordinaire merel zich een dichter waant. En over het al te vergeefse — dat van de kunst en de liefde.

Advertenties