navel (2)

door johan_velter

Al in haar eerste alinea maakt Barbara Baert een veralgemening die een bepaald denken typeert. Het is een denken dat zichzelf interessant wil vinden en daarom geen ‘hechtingspunten’ met de werkelijkheid meer heeft. Die relatie is ook onbelangrijk: filosofie is een slecht soort literatuur geworden. Het is een romantiseren en sentimentaliseren van ideeën. Ze moeten enkel nog mogelijkheden zijn, fantasieën. Het is een vrijheid die bandeloos en vormeloos is. Er is geen grens meer tussen het vrije, creatieve en het wetenschappelijke denken. De woorden volgen een eigen retoriek.

Er is een verwarring: denken en kunst worden op een gelijk niveau gezet. Dit gebeurt in het denken maar ook in de beeldende kunst. Sommige kunstenaars willen enkel nog een filosoferende kunst brengen, maar het niveau van hun filosofie is zodanig simpel en achterhaald dat het geen relevantie bezit. Toch wordt die kunstenaars belangrijkheid toegeschreven: dit gebeurt door filosofen die van zichzelf denken kunstenaar te zijn.

In ‘Kleine iconologie van de navel’ schrijft Baert: ‘Navelloze wezens, zo voelen wij dat aan, hebben geen hechtingspunt en dus geen verbinding tussen binnen en buiten.’ Wij voelen dat niet aan –want navelloze wezens hebben wel degelijk een binnen en een buiten.

Dit is een denken dat in het mythische, het religieuze geworteld is en zich daarom een vrijbrief geeft voor grenzeloos denken. Metafysica, theologie. Vrijheid is positief, dus staat er geen rem op vrijheid. Wie dit wel wil doen, is uiteraard conservatief, verkrampt en verzuurd.

Het geschriftje van Barbara Baert is ook geschreven in een psycho-analytisch kader. Ze schrijft: ‘De navel is altijd tweeledig: ze is een toegegroeide wonde, die nog herinnert aan een stompje materie dat afstierf.’ De zin is feitelijk onjuist. De wonde is een preoccupatie bij dit soort denkers: de wonde herinnert aan het lijden van hun Heer en ze willen Hem gelijk of toch nabij zijn. De navel is echter geen wonde.

Voor haar is de navel ook de herinnering aan dat wat onherinnerbaar is, nl. de geboorte. ‘Precies op deze grens tussen teken van verbinding en breuk, openen zich archetypen die de mens verwortelen in de universele vortex van geboorte en dood.’ Volgens Van Dale betekent vortex: draaikolk, wervelwind, spiraalvormige ligging of schikking, schudder. Deze vortex ligt ‘ingeplant in het fantasme omtrent het centrum van de wereld: de omphalos of umbilcus mundi.’

Vanuit het idee dat er een centrum van de wereld is, verbindt Baert de individuele navel met deze kosmologie – de wereldnavel.

Dit denken/schrijven is geen schrijven vanuit de Verlichting maar werkt verder om de wereld te mythologiseren, te verduisteren. De volgende zin als voorbeeld. ‘Geologen, archeologen en landschapskunstenaars hebben zich keer op keer verwonderd over hoe zelfs de neolitische mens de landschappelijke kracht-ophopingen instinctief aanvoelde.’ In deze zin staan er 4 onzekerheden: het onderwerp zelf (zonder verwijzing, zonder bron), ‘keer op keer’ (de herhaling maakt het wonder groter), ‘instinctief’ (wat we niet weten en ook gerelativeerd moet worden: een vulkaan kan werkzaam zijn en de ‘primitieve mens’ zal ook wel een geheugen en een probleemoplossend denken gehad hebben), ‘kracht-ophoping’ is een vermenging van wetenschappelijke en feitelijke gegevens, en betekenisgeving. Het woord kracht is problematisch en doet denken aan acupunctuur en erger.

Het woord instinctief is hierbij revelerend. Het wil zeggen dat de ‘oude beschavingen geen rationaliteit kenden en dat onze huidige tijd met het rationele toch niet veel méér weet. Dat we in feite kunnen terugkeren. Enerzijds ontzegt het oude beschavingen een menselijkheid (nl. het denken) anderzijds verheerlijkt het een ‘instinctief weten’ dat ook voor deze tijd als een manier van zijn wordt voorgesteld. Tweemaal is dit een ant-rationalisme, een anti-Verlichtingsdenken.

Toch is er nog een probleem: wat hier beweerd wordt, is discutabel. Hoe kan men weten dat ‘zelfs de neolitische mens’ iets ‘instinctief aanvoelde’? Als het over aanvoelen gaat, hebben we immers geen grond om te spreken. Wat weten wij?

Advertisements