hugo claus (5 april 1929-19 maart 2008)

door johan_velter

Hugo_claus_2011

’t Is nog een keer ik.
1. Vanuit de holten van het niets, de vlagen van weemoed.
De geur en haar zilte vocht.
De schorre roep van haar schaamteloze lippen. En ik, hier en nu. Schurk. Flurk en verlamd. Voorgoed.

2a. Ook Rudy is bij de bende slurpers gekomen.
Lawaai, leute.
‘Het is allemaal niet waar’, zegt Rudy. Mijn hinnikend knikken.

2b. En daar was Harry.
Met zijn onzinnig gezwets. Het eindeloos gekwek.
Zijn end-loos gezemel.
‘Alles en ik zijn waar’, zegt hij. Mijn schorre, holle lach.

2c. En de godsgelijke Elly.
– begherte en mach niet swighen stille-
Geen geur van tonijn meer
geen zilte oestersmaak
geen kloppend bloed.
Wazige schaduw van
een voortschuifelende schim
het grijpen in het niet
het vallen in een wolk. Mijn ijle zwijgen.
Mijn troostloos gesnik.

2d. En die anderen
nog levend en schurend en glurend
zonder verdienste of schaamte.
Mijn roem, mijn glorie, mijn prenten, mijn dwaze versjes
voor die ene seconde –
een warme levensadem.

3. En dat de rosse eekhoorn –van zichzelf denkend een vos-
zijn trukendoos weer boven gehaald heeft
snakkend naar andermans portemonnee (geldbeugel, zei de meester in korte broek).
Zijn gekonkel, de hebberigheid van de middenstander. Zijn hijgend keeltje, het slabberen van zijn woordjes
Kortademige dwerg, roddelkont en dwaze pront
nog sabbelend
aan mijn veters.
En de slechte broer
vergeef ik alles als hij
die minne malloot
zelfs geen schaduw van een schaduw van een schaduw
de weg naar hier verspert.

4. Als klerken hebben we gelachen om het zwart.
Als kinderen hebben we geraaskald om het wijf.
Als jongens durfden we alles – ook te verbeelden wat zich verborg.
Nu, als de schimmen van de Mantuese zwaan,
de leidman van de doler, die dwaze treurder
om die al te smalle gleuf,
(en ik, scheve Louis,
die –al te gaarne contrarie-
veroverde een al te gulle schoot,
ik dan: de weldoener, de tandenknarsende gemelijke gastheer)
weeklagen we om onszelf.

5. Niet meer:
een nacht vol belegeringen met hollende paarden
de man met het mes op het perron
de dag met aanvallen van honger en dorst.
Geen rijstpap, geen gouden lepels.
(Zelfs geen zwelling meer
of rollend naar dat gat
maar damp, etherlucht
een zucht
gevlucht uit dat hol.)
En steeds het gezwets van engelen, nonnen en paters, heiligen en begijnen.
De priesters van het holle.
Ach, het odium, de sloten whisky, de zachte, vochtige boorden.
Een druppel, een korrel, mijn vergane koninkrijk.

6. Steeds weer:
het grijs der schimmen
het ijle gezang van stompzinnigen-
en ginder het stappen van hun zwarte laarzen.
De blijheid van wegdrijvende wolken. En zelfs dan: leegte.

7. Broere,
nu we allebei te fel vermagerd zijn
onze handen geen vette lelie meer
tot mussen –die verachtelijke soort-
verschrompeld nu
Geen vreugde, geen verdriet
en zelfs de herinneringen aan hun tijd
doen ons hart niet langer kloppen.
Zo dwalen wij hier, wij gedrieën.
Als hun heer: wie hangt tussen hen, de boosdoeners?
En in dat leven, een speldenpunt. Meester Aloïs.
We hadden meer moeten jagen: achter geld, vrouwen, nonnen, negerinnen, roem,
en huizen, filmrollen en drank en eten en nooit nooit genoeg.
Bepotelen hadden we moeten doen, bedriegen, liegen en bespuwen.
Het mateloze: de adem, de hartenklop.
En nu
dat dolen zonder rust
dat wenken zonder doel.
De verdwazing.

8. Beter
waren we niet geboren
hadden we de heidense vreugden niet gekend
zagen we geen fabuleuze feesten
voelden we niet de vriendschap, Hugo, heer en zot
(Moederskind, riep ik hem toe, ga blèten bij haar.
Hij deed het. En kwam terug, het dom-oor, gelouterd
bevrijd.)
dat we hier niet in de asse moesten dolen.

9. Vervloekt de moeder.
Vervloekt de vader.
Vervloekt het zaad.
Vervloekt het woord.
Vervloekt de lust,
de schoot, de plooi.
Vervloekt haar snee.
Vervloekt haar vee.
Vervloekt! Vervloekt! Vervloekt!

10. Soms wuif ik, en niemand die het ziet.
Soms knipoog ik, en niemand die het voelt.
Soms neurie ik, en niemand die het hoort.
Ik schuifel.
Alleen, al te alleen.

(Deze ‘Tien zuchten’ werden opgevangen door MAES Julienne, medium te Wallezele, Trapstraat 16. Ook voor uw toekomst en de contacten met uw dierbare overledenen. Tevens andere.)

Advertisements