anneke brassinga, vertaler

door johan_velter

Na de voorbije weken de tijd verdeeld te hebben tussen ‘Dichterbij’ van Hugo Claus en de trilogie van Samuel Beckett (in het Nederlands gelezen), tijd voor het leven en dus (o.a.) ‘De maskerade’ van Herman Melville ter hand genomen. In het Nederlands. (Bescheidenheid is soms een deugd.)

Er is altijd een tweespalt: het origineel lezen of de vertaling? Enerzijds is elk origineel onovertroffen, anderzijds is elke vertaling onovertroffen. Het is de authenticiteitswaan die ons ‘gebiedt’ een boek in de oorspronkelijke taal te lezen. Als we veronderstellen dat we van een Nederlandstalig boek slechts 70 à 80 procent begrijpen, dan mag dat voor een anderstalig boek met de helft verminderd worden. Men moet een taal al bijzonder goed onder de knie hebben om de finesses ervan te kunnen zien. Waarom bestaan vertalingen? Waarom zouden we het beter willen kunnen dan vertalers als Anneke Brassinga, Paul Claes of Frans Denissen? Welke modale lezer kan ‘De dood van Vergilius’ van Hermann Broch probleemloos lezen? Als lezer kun je slechts dankbaarheid hebben voor het tonen van wereldliteratuur. Bij sommige schrijvers/vertalers is het aangenaam de oorspronkelijke en de vertaalde editie bij de hand te hebben. Dikwijls groeit daardoor de bewondering voor de vertaler. Bij po?zie is een woord-voor-woord-vertaling soms revelerender dan een ‘poëtische’ vertaling: als de vertaler dezelfde truc als de schrijver wil uithalen, is het gedicht dikwijls verknoeid.

Op 10 juni 2010 hield Anneke Brassinga te Utrecht een lezing n.a.v. een nieuwe master ‘literair vertalen i.o’. AFdH Uitgevers maakte er een boekje van, ‘Steikzwulle sweipels: over de noodzaak van literair vertalen’ (2010). De schrijfster pleit in deze lezing voor de noodzaak van een opleiding literair vertalen – en niet zomaar vertalen. De kern van haar betoog is dat literair vertalen te leren en dat het noodzakelijk is. Er is in haar betoog dus een individuele en een maatschappelijke component.

Het boekje heeft het formaat en de bindwijze van een ‘marginaal’ boek. Het is genummerd maar het is onduidelijk op hoeveel exemplaren het gedrukt is. De vormgeving was van Martien Frijns en oogt zeer ouderwets (ill. 1 en 2). De citaten die Anneke Brassinga gebruikt zijn in het rood gedrukt, de grondtekst in het zwart. De grofkorrelige illustraties zijn van een oubolligheid die je niet meer voor mogelijk hield. De letterzetting op de foto’s is banaal en pseudo-artistiek. Elementen die de ‘jury’ van ‘Mooi Marginaal’ (waarover later meer) kunnen en zullen bekoren. AFdH Uitgevers wil zich in de marge profileren maar hun oplage en werkwijze zijn dat niet. Twee walletjes, is het beeld dat steeds voor ogen staat. Zoals veel ‘vormgeving-boeken’ openlijk kandideren om een prijs bij de ‘Best verzorgde boeken’ te verwerven, zo doet AFdH Uitgevers dat ook voor ‘Mooi Marginaal’.

Uit het essay een citaat: ‘Vertalen is een vorm van literatuur waarin de restrictie, de formele dwang, ongelooflijk productief kan werken.’ Hét voorbeeld is natuurlijk “ ’t Manco”, de vertaling door Guido van de Wiel van de roman ‘La disparition’ van Georges Perec geworden. (Maar toch is de vertaling ‘Het leven een gebruiksaanwijzing’ veel belangrijker.)

De paradox is dat een literair vertaler een autodidact én geschoold moet zijn (en bij uitbreiding geldt dit voor cultuur in het algemeen): ‘Een literair vertaler is van nature autodidact. Wat hij maakt, is steeds opnieuw eenmalig. Des te belangrijker is het, dat hij goed geschoold is, een overvloed aan kennis en vaardigheden bezit.’

Dan komt Brassinga tot haar meest interessante opmerking. De taal, zegt ze, is een meerlagig systeem. Dit geldt voor de oorspronkelijke tekst, maar ook voor de vertaling. Vertalen komt er op aan om –minstens op één moment- tot een definitie te komen, een definitief standpunt: zo moet het (dan maar). Dit moment kan getraind (geleerd) worden. De taal moet dan als een ‘Ding an sich’ beschouwd worden, ‘los van iedere vorm van inhoud. Taal niet als voertuig, maar als een zee of dampkring waar de mensheid in dobbert.’ Als voorbeeld neemt ze een tekst (zie ook de titel van haar lezing) van Louis Th. Lehmann. (In haar laatste bundel ‘Ontij’, heeft Anneke Brassinga een collage-gedicht te zijner ere opgenomen; en Lehmann heeft vroeger al een gedicht aan Anneke Brassinga gewijd.)

Literair vertalen is voor een cultuur noodzakelijk. De taal wordt daardoor soepel (vreemde elementen moeten opgenomen kunnen worden). Empathie is een morele deugd en die wordt door literaire fictie gemaakt en gesteund: we horen de stem van een ander. Cultuur is het inzicht dat er een gemeenschappelijke structuur voor het mens-zijn mogelijk kan zijn, dat die geconstrueerd of gebroken kan worden.

Annke Brassinga citeert ook nog Walter Benjamin: ‘De schrijver dwaalt in het bos van de eigen woorden, de vertaler staat hoog, op een uitzichtpunt.’ De vertaler is een gids.

Met genoegen en vertrouwen lezen we ‘De maskerade, The Confidence-Man’’ van Herman Melville. Vertaald door Anneke Brassinga.

Ab_2Ab_1
Advertenties