hugo claus, vertaler (9)

door johan_velter

Ook daarom is het goed dat Hugo Claus nog ‘In geval van nood’ (2004) heeft kunnen publiceren. Het laatste gedicht van deze bundel is ‘Apollinaire revisited’. Het ‘revisited’ klinkt hier misschien raar omdat het met een persoon verbonden wordt. De titel doet denken aan ‘Brideshead revisited’ van Evelyn Waugh. De eerste regel luidt ‘Hier sta ik dan’ (en de lezer denkt ‘Hier sta ik dan en ik kan niet anders. De asse klopt’). Claus maakt een balans van het leven op. Hij verbindt zijn poëzie met het land waar hij heeft moeten leven (‘Het eigen domein: / een historische neurotische / provincie.’) en wat hij het aangeboden heeft (‘Ooit heb ik jullie de vreemdste / wijdste domeinen willen geven / in ordening of in avontuur.’). Dit tweede land is het land van Apollinaire. Claus blijft afstandelijk: Apollinaire ‘geloofde in zijn horoscoop’, Claus in de ‘uitverkoop van wanhoop’. (Men heeft het gitzwart universum van Claus nooit begrepen.). Zelfs bij wie hij bewondert, trekt hij een muur op.

Leo van der Sterren toonde aan dat dit gedicht gebaseerd is op het gedicht ‘La jolie rousse’, het laatste gedicht van ‘Calligrammes’, dat begint met ‘Me voici devant tous un homme plein de sens’ (Claus: ‘Hier sta ik dan / een zinnig man / […]). Claus eindigt met ‘Zij heeft de gedaante van een aanbiddelijke rosse [d.i. La jolie rousse’] […] lach lach maar’. Ook deze laatste woorden zijn bij Apollinaire te vinden: ‘Mais riez riez de moi’. Hier zien we Claus als vertaler/bewerker. Op sommige plaatsen blijft hij zeer dicht bij Apollinaire, op andere neemt hij de vlucht vooruit. Hij neemt woorden over, maar zet ze in een andere context. Hij blijft de beelden trouw, maar vervormt ze. Merkwaardig is dat Apollinaire een gedicht aan een vrouw ‘opdraagt’ en Claus –hij, die toch de zanger van de vrouw was-, dit niet doet maar zich richt tot zijn vaderland en zichzelf. In de laatste strofe komt een zin voor (‘Ik zal de eeuw’) die niet verder gaat. De volgende regel ‘en waar waarin’ hoort bij wat voor ‘Ik zal de eeuw’ staat. Is dit een omissie? Of een bewust dichterlijk zwijgen (en dus een illustratie van wat hij schrijft)? (Een eerdere versie werd opgenomen in de bibliofiele boeken ‘Flagrant’ (Revolver, Ergo Pers, Zegwerk) dit alles onder auspiciën van Boekhandel de Slegte).

In ‘Dichterbij’ begint Claus het stuk over Guillaume Apollinaire met ‘Mijn favoriete Franse dichter.’ (Let wel: Franse.) Claus geeft dan wat biografische gegevens en besluit: ‘Met Apollinaire begint de moderne Franse poëzie. Bij een van zijn experimenten hoorde het letterlijk opnemen van fragmenten spreektaal. Dat dit poëzie kan opleveren bewijst, vind ik, dit gedicht.’ Hij vertaalt ‘Lundi rue Christine’ uit de bundel ‘Calligrammes’ (1925). Ook met dit gedicht toont Claus zijn poëtica: hij vertaalt geen vernieuwende vormgedichten die in dezelfde bundel verschenen zijn. Hij vertaalt een gedicht dat verhaalt over een bezoek aan een huis vol gewillige meisjes, een verzameling straatscènes, stemmen in het café. (James Joyce is dichtbij.) Dit alles met een lichtheid die vrolijk maakt. Het is de levendigheid van een aangename stad die hier wordt opgeroepen. Maar ook het onvolledige (we horen slechts flarden), het onvolkomene (het is spreektaal). Het klassieke (de eenheid van plaats, handeling, …) wordt verlaten. We hebben te maken met fragmenten. Claus verandert de indeling van het gedicht: losstaande zinnen voegt hij samen en hij maakt zinnen los uit de strofe.

Jan Pieter van der Sterre heeft dit gedicht vertaald voor de poëziereeks ‘De mooiste van …’ (Lannoo/Atlas, 2007) . Hij is de structuur van het gedicht wel trouw. Als je vergelijkt met de Gallimard-uitgave, Collection Poésie; 4, (19661, 2007) dan wordt elke strofe, elke regel apart correct weergegeven.

In de eerste regel al verandert Van der Sterre. Bij Apollinaire staat: ‘La mère de la concierge et la concierge laisseront tout passer’. Claus: ‘De moeder van de conciërge en de conciërge zullen alles binnenlaten’. Van der Sterre: ‘De moeder van de conciërge en zijzelf zullen alles doorlaten’. Bij Claus heb je een onhandige vertaling: ‘Een orkestleider zijn keel is ontstoken’. Van der Sterre vertaalt: ‘Een dirigent met keelpijn’. Bij van der Sterre heb je een onhandige vertaling: ‘De bazin heeft het aan de borst’. Claus vertaalt: ‘De bazin heeft tering’. Apollinaire schrijft ‘Ça à l’air de rimer’, terwijl de voorgaande zinnen helemaal niet rijmen. Claus maakt wel rijmen (ontstoken/roken); Van der Sterre volgt Apollinaire (keelpijn/roken). Van der Sterre maakt een fout wanneer hij ‘d’eaux fortes’ vertaalt met aquarellen. Claus niet natuurlijk: het gaat om etsen. De laatste regel van dit gedicht is ‘La quinte major’. Claus vertaalt met ‘De grote Kwint’. Claus isoleert de laatste zin en schrijft Kwint met een hoofdletter –maar ook dat is waarschijnlijk een zetfout. Van der Sterre met ‘Straight flush’. Ahum.

Van Richard Wilbur, de Amerikaanse ‘lichte’ dichter, vertaalt Claus een kort gedicht. De versie die ik voor ogen heb is die van de ‘Collected Poems 1943-2004’. Hier is de structuur volledig veranderd. Hij vertaalt slechts één strofe van het gedicht ‘In Limbo’. Waar het gedicht bij Wilbur traditioneel gezet is, wordt dit in ‘Dichterbij’ helemaal anders. Claus (of de zetter) verbrokkelt de zinnen door om de regel een woord of enkele woorden te centreren op een aparte regel (en er wordt al meteen een fout gemaakt met de regels 2-3-4). Het is onbegrijpelijk waarom Claus dit doet en je zou hier het manuscript moeten kunnen raadplegen om zeker te zijn van wat gebeurd is. Claus zet bovenaan ‘het gedicht’ de titel ‘Slapeloos’, net alsof het een oorspronkelijk gedicht is. (Men mag niet verwarren met het gedicht ‘Sleepless at Crown Point’ van Richard Wilbur.) In de inleidende tekst schrijft Claus dat Wilbur gezegd heeft: ‘Ik geloof dat de uiteindelijke aard van de dingen bevallig en goed is.’ Monkelend voegt hij toe: ‘Nu hoort u het eens van een ander.’ En vertaalt een gedicht dat vol duisternis zit, waar onzekerheid heerst en angst om verlatenheid.

Anthony Dufraisse schreef : ‘Charles-Albert Cingria (1883-1954) est un mystère. Rares sont ceux qui connaissent ce poète suisse, plus rares encore sont ceux qui l’ont lu.’. Claus is één van die zeldzamen. Hij schrijft dat dr. Wiegersma Cingria op bezoek kreeg. Daarmee zitten we in de kringen van ‘De Gemeenschap’, het expressionisme, en dit is mogelijk een weg waarlangs Claus deze dichter heeft leren kennen. Lex van de Haterd schrijft over Cingria in (o.a.) ‘De waarheid hooger dan de leus: over de beeldvorming rondom tijdschrift en uitgeverij De Gemeenschap 1925-1941’ (In de Knipscheer, 2008). Hij heeft in het tijdschrift verschillende bijdragen kunnen publiceren (o.a. een opstel over Otto van Rees). Claus vertaalt van deze ultra-katholiek een tekstfragment uit ‘La fourmi rouge et autres textes’. Omdat Claus het opneemt in ‘Dichterbij’ zou je kunnen veronderstellen dat dit een prozagedicht is. Dit is niet zo, het is proza. Eigenaardig genoeg wordt enkel de eerste regel als een gedicht afgebroken.

De Franse tekst begint met ‘On sait comment les portes crient quand elles sont de bronze vert auguste.’ en het einde van het fragment is ‘Mais je crois avoir déjà dit cela plusieurs fois.’ Er zijn surrealistische beelden en kernzinnen. Zoals over een kat : ‘Il a forcé la compréhension.’ (Claus: ‘Zij is door het begrip heen gebroken.’). Of: ‘La vie est bonne et le prouve.’ (‘Het leven is goed en bewijst dat.’) Maar wat als een anekdote over een vrijpostige kat begon, eindigt met een mensbeeld dat typisch is voor de twintigste eeuw: droefheid en gemis.

(Ill. 1, foto van Apollinaire, ill. 2 tekening van Hugo Claus in ‘Dichterbij’)

ApollinaireHc_9_apollinaire
Advertenties