hugo claus, vertaler (4)

door johan_velter

Staat DBB dus voor ‘De Bezige Bij’, of voor ‘De Botte Bijl’?

Er zijn immers nog opmerkingen te geven. Allen Ginsberg is geboren in 1926, maar de redacteur (?) is vergeten dat sinds de jaren 1987-1988 de man al overleden is (in 1997). Hetzelfde geldt voor Vladimir Holan (1905-1980), Claude Roy (1945-1997). Dichters hebben niet de eeuwigheid. De typograaf is bij de levensdata onzorgvuldig geweest. Soms staan ze vermeld, soms niet (Shakespeare, Homero Aridjis, Holan).

Op de flaptekst schrijft de redacteur: ‘Hugo Claus vertaalde erudiet en speels het werk van dichters die hem inspireerden en volgde daarbij zijn eigen grillen en hartstocht.’ In deze zin zijn vijf woorden problematisch: erudiet en speels, inspireerden, grillen en hartstocht. Wat betekent erudiet en speels vertalen? Iemand die weet te vertalen op een speelse manier? Of nu eens erudiet, dan weer speels? Of is de keuze van de gedichten erudiet en speels? Inspireerden deze dichters Claus? Dat verdient dan toch een woord uitleg, zou je denken. Niet bij DBB. Daar gooit men woorden en hoopt dat ze iets betekenen. Maar stel dat we hier wél een universum van inspirerende dichters hebben, wat betekent dit dan voor de Claus-studie? Hoe moet Claus dan bestudeerd worden? Vanuit de Vlaams-Nederlandse context of vanuit de meer uitgebreide wereldliteratuur? Dit heeft consequenties voor onze visie op Claus. Hij is dan niet meer een dichter van hier, maar een dichter van de wereld. Wijze woorden van de redacteur, dus –als we die lezen zoals wij willen. Grillen? Ja, zo stelde Hugo Claus zich graag voor. In werkelijkheid waren er minder grillen dan doordachtheid. En hartstocht? Och kom, dat modieuze meisjeswoord. Op dat moment gebruikte Claus dat woord niet meer voor de literatuur – de liefde, misschien.

In een P.S. (DS, 2/9/88 – met dank aan het Poëziecentrum, Gent) (een P.S. was in de krant toen een dagelijkse ‘quote’) liet Hugo Claus noteren: ‘Ik heb nu een jaar achter de rug van schijnbare inertie. Maar ik heb me dus kunnen oefenen op een nederige, werkmansachtige manier en daardoor kan ik straks weer op eenzame hoogte worden getild.’

(‘De andere hand’, teksten van Pierre Alechinsky werden vertaald door Hugo Claus en Freddy de Vree. Het boek verscheen in 1987 bij Meulenhoff. Dit is dus de periode die voorafgaat aan de publicatie van deze vertalingen. Sommige zinnen in dit nawoord (bijvoorbeeld de eerste) zijn in dezelfde toonaard gesteld als de bijschriften bij de gedichten van ‘Dichterbij’. En in 1986 had Claus bij Knack zijn ‘Sonnetten’, bewerkingen van die van Shakespeare gepubliceerd.)

Van de jeugdzonden van deze dichter is de bundel ‘De Oostakkerse gedichten’ (1955) de bekendste. Op deze gedichten is een groot deel van Claus’ reputatie gebaseerd. Ze zijn een blijvende bron van studie. Maar deze gedichtencyclus was ook een einde van een poëticale visie. Claus verliet de metafysica en wendde zich naar een meer realistische, dagelijkse, materiële visie op mens en dingen. Het radeloze zingen werd vervangen door het spottend kijken. De eerste periode is ‘vergeven’ van verwijzingen naar de klassieke oudheid, de mythen, de godsdienst. Dit alles heeft hij niet verlaten maar de manier waarop hij ermee omging veranderde ‘radicaal’. Marx zei over Hegel dat alles correct is als diens hele systeem op zijn kop gezet wordt. Een gelijkaardig Paulus-inzicht is ook bij Claus te bespeuren. De poëzie is niet in de metafysica maar in de werkelijkheid te vinden. Claus ging daarvoor ‘te rade’ bij anderstalige dichters. Hij zocht bij anderen ‘het kleine muziekje’. En hij vond die. De bundel ‘Dichterbij’ is daarom bijzonder interessant omdat hij een referentie vormt naar een andere zienswijze, een andere poëtica. (In zijn eigen werk heeft Claus meermaals verwezen naar die periode – en die tijd afgezworen.)

Het is doordat men hier opgesloten zit in de eigen taal en grenzen dat men het oeuvre van Claus nooit zal kunnen kennen.

Claus keerde zich naar de wereld en zag een mankerende wereld, met wankelende, hinkende mensen. Dat zou nu zijn domein worden. Het theaterstuk ‘Blindeman’ maakte dit op het podium waar. En de onderschatte, niet begrepen, verwaarloosde bundel ‘In geval van nood’ is daarom geen misplaatst orgelpunt maar een duidelijk standpunt: auteur en onderwerp vallen samen. Letterlijk wordt Claus een Beckett-personage: de beschouwer wordt geval.

Over de bundel ‘Dichterbij’ zijn er twee standpunten. Het eerste is dat van de vertaler: Claus vertaalt niet. Hij werkt veel te letterlijk.

Het andere standpunt is dat Claus de gedichten naar zich toehaalt, ze hertaalt en ze in het eigen oeuvre inpast. Ze de eigen normen en beelden oplegt. Zo schrijft Yves T’Sjoen op Versindaba (17/09/09): ‘Uiteraard was het de dichter niet te doen om zo adequaat mogelijk de brontekst om te zetten in een Nederlandse vertaling.’ Claus stelt in het interview met Camps niet dat hij zich de gedichten heeft toegeëigend maar wel dat hij met deze gedichten de ‘zingzang’ die in onze contreien voor poëzie doorgaat van antwoord wil dienen. Hij wil de dichters van hier (en dus ook zijn mineure navolgers) een andere toon laten horen.

Claus staat –denk ik echter- op het standpunt dat je bij vertalingen slechts twee mogelijkheden hebt. Ofwel schrijf je een bewerking en maak je het oorspronkelijke nieuw (bijvoorbeeld Seneca), ofwel blijf je hondstrouw aan de dichter en vertaal je woord voor woord. In het tweede geval maak je dus een bijna technische vertaling. De poging literair te vertalen is een verraad aan de oorspronkelijke dichter. Wat Claus dus doet is een bijna letterlijke woord-voor-woord vertaling geven: hij laat de lezer zo dicht als mogelijk bij het oorspronkelijke gedicht komen. Hij maakt géén nieuw gedicht. Hij vertaalt. Hugo Claus is hier nederig, nederig aan grote dichters als Shakespeare en Petrarca. Maar ook nederig tegenover de nu anonieme briefschrijfster in ‘Libération’. Hij is dienstbaar.

Dit is het teken van de ongelooflijke ernst van Hugo Claus tegenover de kunst. Hij is een klerk die de poëzie en de dichter dient. Hij doet afstand van zijn eigen creatieve talenten om de creatie van een ander te tonen. In de vertalingen –en ook in de bijschriften- zien we de levensadem van de dichter. En dus nee: er is geen willekeur, er is niet ‘wat hem voor ogen kwam’. Dit alles is doordacht en be-leefd, omdat dit zijn leven was.

En daarom mag men ook de bijschriften niet verwaarlozen. Ze zijn geen ‘zomaar-vertelsels’ om het blad te vullen. We kunnen beter lezen wat er staat.

Zo is de diversiteit van Claus geen gril of een wispelturigheid maar juist een standpunt: elke tekst kan een poëtische dimensie krijgen. Dit staat in de protestantse traditie (en dit aspect gaat heden ten dage meer verloren dan het katholicisme, vandaar het einde van wat nu voorbij is) waar het dagelijkse geheiligd wordt. In dit geval is het de dichter Claus die ons die openingen naar een andere wereld toont. En die andere wereld heeft niets met metafysica, religie of een andere soort van wensdenken te maken. Het is de surrealistische visie binnen de wereld die gezien moet worden. Het is de manke mens die getoond wordt. Maar ook: dat wat hem vernedert, hem voedt, hem rechthoudt, hem doet lachen en tegenwerken. Het is het contrair zijn dat telt. En dat is dan weer de katholieke kant van Hugo Claus.

La vie, quoi.

Advertenties