bram van velde en de literatuur (12)

door johan_velter

bram van velde_marthe arnaud_enfants du ventre

Bram van Velde behoort niet tot de kunstgeschiedenis. Zijn werk is gedeeltelijk in te passen in de twintigste eeuw, maar hij heeft geen groep gevormd, geen richting gezet. Hij is nauwelijks een leerling. Hij staat en hij staat alleen. Ik herinner me nog een gesprek met een museumconservator: ‘Bram van Velde is dat niet een Nederlander?’. Beckett was geen Picasso-fan. Er waren er nog die de verpletterende generositeit, lichamelijkheid, wellust en overmatige activiteit niet konden appreciëren. Picasso domineerde het culturele leven. Hoe kon iemand als Bram van Velde daartegen op? Niet dat hij dit wilde.

Het werk van Bram van Velde wordt geapprecieerd door amateurs – en schilders.

Er is geen ‘Van Velde-studie’ en toch zijn er heel wat catalogi/boeken over hem verschenen. Het meeste werk is niet wetenschappelijk maar literair. Een decisieve factor in deze situatie is de zware hand die de Putman-clan op Bram van Velde –ook jaren na zijn dood- had. In de kunstgeschiedenis was Bram van Velde niet in te passen, dan maar in de literatuur. (Dit is een achteraf-constructie.)

Er zijn ook rare dingen. Het verhaal is hier eerder verteld: plots ‘ontdekt men’ een volledige editie litho’s die niet verdeeld/verkocht waren en men maakte een ‘livre illustré’ met Beckett. Het is nog steeds verbazingwekkend hoeveel werk er vrij te kopen is. En even belangwekkend is hoeveel prenten beschikbaar zijn die buiten de genummerde edities vallen (de fameuze e.a.’s). De clan had en heeft een uitstekende collectie schilderijen: hij bepaalt wie dit te zien krijgt. Wie over Bram van Velde wil schrijven (en dus copyright nodig heeft), moet eerst gedoopt worden. Er is ook nog de oeuvre-catalogus die wemelt van de fouten –in de delen twee en drie werden errata aangebracht maar na deel 3 kwam er geen 4. Het is Putman die Bram van Velde heeft aangezet om litho’s van zijn werk te maken –en die zijn het bekendst geworden. Maar dit zijn (bijna allemaal) ‘vervalsingen’ omdat het slechts details zijn. Men moet de grote werken zien om te weten welke schilder Bram van Velde was. Zijn litho’s zijn slechts detailopnames, zijn geïsoleerd. Het compositievermogen van Bram van Velde wordt in die litho’s bijna nooit zichtbaar gemaakt. Wat zeker mooi is: in die gouaches zie je zijn gevecht met de oppervlakte van het doek. De litho’s zijn veel gemakkelijker te beheersen. Ze zijn ook behaaglijker. En hier en nu is dit geen verwijt.

Veel teksten over Van Velde worden herhaald. Zo bijvoorbeeld ook die van Pierre Alechinsky. ‘Bram van Velde, de meester’, werd opgenomen in de bundel ‘’De andere hand’ (Ceder Editie, Meulenhoff, 1987). Vertaald door Hugo Claus en Freddy de Vree. (In een recensie voor Knack heb ik ooit geschreven dat stukken niet vertaald waren. Waarop Claus kribbig in een interview repliceerde dat dit voor een schrijver als Alechinsky niet nodig was.)

Wie het werk van Alechinsky en Van Velde vergelijkt, zal gelijkenissen zien. De soepelheid van het penseel bepaalt veel. Er is geen sprake van beïnvloeding, toch is er een verwantschap. Voor Pierre Alechinsky is Van Velde een meester.

Zijn tekst (essay? verhaal?) begint aldus: ‘In zijn aandrang om te zien […] buigt een schilder zich uit een raam zonder derde dimensie, en duikt.’ (Dit duiken heeft Philippe Djian in zijn ‘Il dit que c’est difficile’ overgenomen.)

In de volgende alinea laat Alechinsky Bram van Velde zeggen: ‘Ik duik.’:  – de schilder weet niet hoe hij te werk gaat.

Hij citeert Asger Jorn over Van Velde: ‘Onschuld’ en Christian Dotremont: ‘[…] een totale banaliteit, die alleen hij heeft bereikt.’

Maar ook die typische Franse manie: zinnen die diepzinnigheid zouden moeten suggereren maar die –voor wie niet ontvankelijk is- alleen maar ergernis geven. Bijvoorbeeld: ‘Aanvaarden we eindelijk de gedachte dat we enkel een schakel zijn van de keten, dan voelen we haar in volle zwaarte omlaagstorten.’

Deze tekst van Pierre Alechinsky bevat een woord als ‘schaterlach’; een uitspraak als ‘Een stervende die nog een oog opent, dat is pas vitaliteit.’ Hij spreekt van Bram van Velde’s ‘levendige opmerkingen’. (Maar ook Alechinsky ontkomt niet: grappen worden als diepzinnigheden opgeschreven.) Ja zelfs het woord geluk wordt neergeschreven: ‘Geluk van de vorige dag: hij is erin geslaagd nieuwe onredelijke kleurvleugels te laten opwieken: gouaches, blad na blad.’

Tegen de gangbare interpretatie. Met even veel recht zou je kunnen zeggen dat het werk van Bram van Velde een levensvreugde te kennen geeft, van energie bruist. Hij streefde een volledigheid na. Zijn golven zijn de bewegingen van de ademhaling. De verticalen: de bewegingen van een trekzak. Zijn kleuren: de emoties van het leven –hij heeft ook een reeks ‘Peintures noires’ geschilderd. Natuurlijk zijn ook wij niet blind: er is melancholie in dit werk (een vioolstuk van Marin Marais). Maar ook heel veel kracht. Zet dit werk naast een sterk Afrikaans beeld en je ziet de onderstroom.

Bram van Velde was altijd overtuigd van de waarde van zijn kunst. Daar twijfelde hij niet aan. Wel twijfelde hij aan de waarde van elk schilderij afzonderlijk: wanneer is het geslaagd, wat moet er bij, wat weg? Vragen van elke kunstenaar.

Zijn zelfverzekerdheid? In 1949 verscheen bij Réclame in Paris ‘Enfants du ventre’ van Marthe Arnaud (ill. 2), de toenmalige vrouw van Bram van Velde. Hij illustreerde dit werk niet alleen maar maakte er ook een editie voor. Om dit in die omstandigheden –het was de armoedige naoorlog- te doen, moet men zeker zijn van de eigen kunst. En op dat moment had Bram van Velde zijn eigen stem nog niet gevonden. (Wist hij dit? Dat weet een schilder.)

Levenskracht. Geen rouw. Geen levenseinde. Vreugde, ja. Ook.

En dan toch. Dan toch nog, komen we terug bij Beckett en die ongehoorde stompzinnigheid van de amateur die genoegen beleeft aan schilderijen… Ondanks de woorden.

En een toegift. Het resultaat is niet mis voor een schilder die zogezegd geen woorden kon gebruiken. Hij heeft minstens ook woorden gegeven aan een aantal schrijvers en niet van de minsten. Beckett in de eerste plaats, maar ook Bonnefoy, Du Bouchet en al die anderen. Hier vernoemd en niet vernoemd.

ill. 1 J. Sluijters, kleurenlitho voor Wendingen, jrg. 5, 1922, nr. 2; ill. 2 ‘Enfants du ventre’ van Marthe Arnaud, ill. Bram van Velde, 675 exemplaren, 600 gewone, 60 met een genummerde ets en 15 met de ets en de geweigerde etsen – wat een trots: dat wat anderen weigeren: dat zal de kunstenaar tonen. Ill. 3: Bram van Velde, litho, o.r. 173)

J_sluijters_wendingenBvv_173
Advertenties