bram van velde en de literatuur (11)

door johan_velter

Wat Adriaan van der Weel en Ruud Hisgen doen in het voorwoord tot ‘Conversations with Samuel Beckett and Bram van Velde’ is verbazend knap. Ze doen dat vanuit hun vertrouwdheid met en fascinatie voor het werk van Samuel Beckett.

Ze trachten na te gaan wat de relatie en wederzijdse beïnvloeding is van de schrijver en de schilder. Ze baseren zich hiervoor op een min of meer kritische lezing van de teksten van Juliet. (In hun laatste zin wijzen ze op de paradox: merkwaardig hoe een zo onhandige en zwijgende man toch zo krachtig en welluidend zijn werk kan beschrijven.)

Overeenkomsten. De willoosheid van de kunstenaar. De kunst overkomt hem. Bij Beckett is dat ook de ‘ontdekking’ (in ‘Molloy’) van de stem. Het is een zich leeg maken om te kunnen ontvangen. Dit is natuurlijk gezwets –immers: wie zal zenden? Maar toch is dit juist: het ontvangen kan ook vertaald worden als een gevoeligheid, als een opbouwen van kracht. Bij beiden is de drang om kunst te maken een levensader, een adem. De kunstenaar is in beider visie geen leverancier van resp. canvas of papier maar heeft een taak. Hij is een profeet, beiden staan een ‘heiligheid’ van het kunstenaarschap voor ogen. Dit kan uiteraard niet in een religieuze betekenis begrepen worden: het gaat hem om ernst.

Dit is wat beiden met elkaar verbindt. Bram van Velde zoekt steeds meer in zichzelf en het is Beckett die deze bekommernis ziet, goedkeurt en door zijn woorden legitimeert. Het zoeken wordt een legitiem handelen.

Vanuit hun Beckett-studie onderzoeken Hisgen en Van der Weel wat er gaande is met de taal. Ze schrijven: ‘Countless individuals and cultural movements in Europe regarded language as the central hypnotic agent in the service of positivism.’ Daarmee werd de taal van de kunst verbannen naar het gebied van de stilte, het zwijgen. De hypothese van beide auteurs is dat Beckett door Bram van Velde is beïnvloed. Deze laatste was immers nog voor Beckett overtuigd van de noodzaak om het innerlijke leven vast te leggen. Het is slechts later dat Beckett besefte dat de uiterlijke werkelijkheid nooit de objectieve kan zijn. Het keerpunt voor Beckett is maart 1946, Dublin. Het schrijven van ‘Molloy’. ‘It was from this time on that Beckett, like Van Velde before him, turned to his own ‘inner life’ for his artistic material.’ En daaruit volgt dat Beckett nu stopte met kritieken schrijven: het is enkel mogelijk over jezelf te schrijven.

Een andere merkwaardigheid die de auteurs naar voren halen is dat Bram van Velde van het Nederlands naar het Frans is overgeschakeld en dat Beckett van het Engels naar het Frans overstapte. Beiden waren ze vreemdelingen, beiden namen ze een andere taal aan. Zoals karakters elkaar herkennen, zo doen ook ervaringen dat.

Dan is er nog de kwestie van de stilte. Beiden kenden ze periodes van zwijgen. Beiden hebben het zwijgen in hun werk gebracht. Maar de auteurs maken aannemelijk dat de ‘stilte’ oorspronkelijk geen thema bij Bram van Velde was maar dat Samuel Beckett die in het Van Velde-discours heeft ingebracht (en Juliet heeft die verhevigd). Dit hangt ook samen met het begrip ‘falen’ –ook dit is geen Bram van Velde-concept. Immers, de schilder heeft meerdere malen te kennen gegeven dat hij wél geslaagde doeken geschilderd heeft, dat hij een intense tevredenheid met zijn werk kende. Elk af schilderij was een triomf over het gewone leven, een bevestiging van het echte. En hier hebben we te maken met een jaloezie op het métier. Door zijn eigen vooropstellingen kon Beckett nooit slagen: hij moest falen om zichzelf gelijk te geven. Elke zin was slechts een mislukte poging. Dit staat i.t.t. het werk van Van Velde waar elk doek een geslaagd eindpunt is. ‘As we have seen, Van Velde was always aware of the need to struggle for his art. The outcome of the struggle was never predictable and even before he met Beckett he sometimes experienced long periods in which he found himself incapable of producing satisfactory work. But he never appears to have fully shared Beckett’s conclusion that everything led to ineluctable failure.’

Bram van Velde, de overwinnaar. Hij die kan.

Advertisements