het boek, een vorm (ook) (2)

door johan_velter

Kun je over de inhoud van een boek iets zeggen enkel een alleen aan de hand van de vorm? Je mag het niet –oordeel een ander nooit op basis van het uiterlijk. Maar je kunt het wel.

‘In 30 dagen langs 100 schrijversgraven: een literaire roadtrip’ van Ad Meinderts, met foto’s van Jessica Swinkels is een boek dat je op basis van de vorm met zeer veel argwaan moet bekijken. Je kunt je voorstellen dat de auteur geroepen moet hebben ‘We moeten veel exposure hebben’ (exposure moet dan op zijn Hollands uitgesproken worden). Het boek schreeuwt om aandacht voor zichzelf, voor zijn auteur en voor de vormgever Karen Polder uit Den Haag.

Het Letterkundig Museum in Den Haag werd vernieuwd. Een nieuw pantheon van 100 schrijvers werd samengesteld. De directeur, Ad Meinderts, kreeg een idee(tje): hij zou de graven van deze schrijvers bezoeken en hen vereren met een witte roos. Hij zou een al dan niet toevallige voorbijganger vragen een tekst van de schrijver luidop voor te lezen. Ad Meinderts zou veel gefotografeerd en gefilmd moeten worden.

Het begint al op de omslag. De ondertitel wordt in een groter font weergegeven dan de eigenlijke titel (althans volgens de titelpagina). De Franse titelpagina bevat echter de ondertitel, die dus de hoofdtitel zou moeten zijn. Ook het colofon vermeldt als titel enkel ‘Een literaire roadtrip’ wat dus wel degelijk de hoofdtitel moet zijn. Alleen heeft de vormgever hoofd- en ondertitel over twee pagina’s weergegeven en vergeten dat de rechterpagina de belangrijkste informatie moet bevatten.

Terug naar het omslag: de witte letters staan prominent op de foto. Die laatste is onduidelijk. Er is bruin, groen en mist. De hoofdletter E is niet volledig weergegeven. Ze is afgesneden, dus hedendaags – moet men gedacht hebben. Het meest opvallende is dat de titel van het boek als het ware doorlopend is weergegeven over zowel de voor- als de achterkant. Men wil de indruk geven van een elektronisch reclamebord: de letters bewegen van links naar rechts. In een boek kan dit natuurlijk niet. Maar toch kan men een illusie van beweging geven. Alleen gebeurt dit hier niet omdat de logica niet gevolgd wordt – en waardoor dit enkel een lege vorm is. (Het idee van beweging staat verder ook haaks op de inhoud van het boek.) De omslag toont als laatste woord schrijversgrave, waarbij de e nog halvelings afgedrukt staat en de tekst op de flap correct verdergaat. Maar dit wordt op de laatste bladzijden van het boek niet consequent volgehouden. Deze truc wordt ook in het binnenwerk aangehouden maar ook daar klopt het niet. Pagina 7 bijvoorbeeld eindigt met verh maar vervolgt op pagina 8 met ‘et’ (van het) en niet met ‘aal’ (van verhaal). Deze lijn van letters en cijfers is enkel een ‘gag’. Ze geeft wel een eenheid aan het boek (of althans een deel van het boek) maar ze stoort het leesproces omdat er geen informatie gegeven wordt en toch de aandacht naar zich toe trekt.

Het eerste deel bevat het verslag van Ad Meinderts. Het tweede deel bevat de foto’s van de schrijversgraven door Jessica Swinkels. Bij een aantal foto’s is de roos prominenter weergegeven dat het graf van de schrijver zelf. De foto’s zijn horizontaal (in Microsoft-taal: als ‘landschap’) afgedrukt maar de legende bij de foto’s is verticaal gedrukt. Ondanks de wisseling tussen zwarte en witte letters, blijft de tekst dikwijls onduidelijk. En onhandig: een lezer moet het boek de hele tijd draaien en keren. Ook in het eerste deel werden foto’s opgenomen. Maar hier ging het vooral om actie en mensen. Duidelijk zal de directeur gezegd hebben: ‘We moeten de mensen bereiken, hen betrekken. Human interest!’ (Human interest moet wel op zijn Hollands uitgesproken worden.)

De directeur van het Letterkundig Museum te Den Haag schrijft:

‘Toen ik zaterdag aan mijn tweelingzoontje Jonas van net 4 vertelde … ‘ (p. 9)

‘ […] met mijn voor deze trip nieuw gekochte schoenen.’ (p. 11)

‘‘Het boek ik’ is zijn [Bert Schierbeek] bekendste experimentele boek, dat moeilijk toegankelijk is door het ontbreken van een verhaal, een rode draad.’ (p. 14)

‘Hij kan hier z’n lol op.’ (over Jaap Pop, voorzitter van het Letterkundig Museum te Den Haag, p. 19)

‘Holst-biograaf Jan van der Vegt droeg vrijwel uit het blote hoofd het gedicht met de regel ‘Wat was, is geweest’ voor.’ (p. 20)

‘Oeuvres completes’ (p. 28)

‘James Boswel’ (p. 28)

‘Bij het graf van Karel van de Woestijne, […], krijg ik mijn verhaaltje over zijn leven en werk moeizaam uit mijn mond. Na het zoveelste graf hoor je jezelf praten, onvermijdelijk soms dezelfde zinswendingen gebruikend. Te vaak zeg ik van een auteur dat hij een ‘bijzondere schrijver’ was. Weinig zeggend. Het gaat zelfs zover dat ik de slappe lach krijg, wat natuurlijk weinig respectvol is.’ (p. 36)

‘Pere Lachaise’ (p. 45, sommige Nederlanders kun je ook wijs maken dat er een ‘Appel Latable’-kerkhof bestaat.)

Meinderts spreekt steeds over ‘Bij Oostende’ als het gaat over de begraafplaats van Hugo Claus. Bedoelt hij dan Bredene? Nee, hij bedoelt Oostende. (p. 34 e.a.)

‘‘De wolken’ was een favoriet gedicht van mijn schoonmoeder.’ (p. 51)

Volgens de directeur van het Letterkundig Museum te Den Haag was de lijfspreuk van Spinoza ‘Cautes’ en dit woord staat volgens hem ook op diens graf. (p. 61) Nochtans staat op zijn graf ‘Caute’ en is dit woord Latijn voor ‘Wees behoedzaam’.

En dan zijn er nog de korte typeringen van de schrijvers. Louis Paul Boon wordt geschreven als Louis-Paul Boon en getypeerd als: ‘Communist die zijn geloof in een betere maa
tschappij verliest. Beschrijft geregeld de zelfkant van het leven. Hij krijgt een heldenbegrafenis met een rouwstoet en een fanfare.’ Over Cyriel Buysse: ‘Buysse is een echte autofan en een van de eerste autobezitters. In veel van zijn werken spelen auto’s een rol. Kort voor zijn dood wordt hij tot baron verheven.’ Over Hugo Claus: ‘Claus verzet zich tegen elke poging om hem vast te leggen op één kunstvorm. Hij publiceert meer dan 150 titels en heeft relaties met Elly Overzier, Kitty Courbois en Sylvia Kristel.’

Dat de naam van Claus’ vrouw bij wie hij het langst gebleven is, niet vermeld wordt, getuigt van kwade wil. Dat bij deze drie schrijvers (maar dit kan uiteraard uitgebreid worden) geen enkele titel genoemd wordt, getuigt van haat tegen literatuur. Dat slechts trivialiteiten opgesomd worden, duidt op een mentaliteit van ziekelijke sensatiezucht.

We horen de directeur roepen: ‘We moeten de schrijvers bij de mensen brengen. Zwijg over boeken! Neem nooit het woord cultuur in de mond. Een pretpark is ons model.’

Dus ja, de vorm van het boek zegt iets over het gebrek aan inhoud.

Advertisements