don quichot (10)

door johan_velter

Deel twee van de Don Quichot is in sommige opzichten bijna het tegendeel van het eerste deel. Don Quichot beseft nu dat hij waanvoorstellingen heeft, Sancho Panza lacht met de afgekloven, belachelijke spreekwoorden. Beiden willen proberen hun verleden af te zweren, achter zich te laten.

Deel 1 is het afscheid van de Middeleeuwen, deel 2 is een eerste stap in de zeventiende eeuw. Je leest hoe de schrijver zelf worstelt met het verleden en het heden: hij neemt geen ‘zuiver’ nieuw standpunt in, zijn visie is in grote delen gevoed door het verleden. Hij is geen wetenschapper die een methode ontwikkelt of volgt. Hij is een schrijver die de volheid van het leven en de fantasie in zijn boek neerlegt. Hij maakt ‘fouten’, hij aarzelt, hij hapert, hij struikelt. Steeds ontsnapt hij aan een eenduidig portret. En dat alles maakt van zijn boek een menselijk document.

‘Daardoor’ is er de hele tijd die tweespalt tussen zijn en lijken, tussen iets geloven en iets zeker zijn. Zo beschrijft Miguel de Cervantes Saavedra de toestand van baas en knecht: ‘[…]; maar de vrees die in Sancho was gevaren door wat zijn baas had gezegd over tovenaars die de gedaante van de Ridder van de Spiegels in die van de baccalaureus Carrasco hadden veranderd, belette hem geloof te hechten aan de waarheid die hij met eigen ogen aanschouwde. Kortom, baas en knecht bleven in hun dwaling, […]’ (p. 644).

Het lijkt er toch op dat De Cervantes eerder een empirist dan een rationalist is. Hij laat Don Quichot bijvoorbeeld zeggen ‘Laten we ons verstand gebruiken’ en dan volgt er weer één van die dwaze redeneringen. Het verstand alleen, het redeneren, de retorica, is dus niet de juiste manier om tot kennis te komen. Het realisme steunt echter wel op de ervaring en de zintuigen. Het verstand alleen bouwt hersenspinsels en de nevenpersonages verbazen zich er geregeld over dat er systeem in de waanzin van Don Quichot is. Dit komt omdat hij niet onverstandig is. (Don Quichot is een morosoof.) Alleen is zijn denken verpest door de ridderromans.

Maar daarentegen: in deel twee zijn de redeneringen van een hoger niveau, ze zijn meer betrokken op de wereld zelf. Het is als het ware het humanisme –alhoewel rijkelijk laat- dat hier geboren wordt en ook weer achter zich gelaten wordt: de schrijver verlaat zowel de Middeleeuwen als het humanisme en laat in sommige opzichten de geboorte van de nieuwe tijd zien. Daarom ook wordt er zoveel over literatuur en haar functie gesproken. De ridderwereld is de tijd van de wapens, het humanisme dat van de boeken. Maar tegelijkertijd wordt de waarde van de boeken en de literatuur betwijfeld. Ook de waarden van het humanisme worden bekritiseerd.

De ‘Don Quichot’ is een poging denken/weten en handelen op een nieuwe manier met elkaar te verzoenen. Dit wordt op twee manieren gedaan: enerzijds negatief (de onnozelheden van Don Quichot); anderzijds positief in de commentaren van de schrijver én de woorden van zijn personages (bijvoorbeeld Corchuelo: ‘[…] dat de schellen me van de ogen zijn gevallen en dat de ervaring mij de waarheid heeft onthuld waar ik heel ver vanaf was.’).

Daarmee gepaard gaand wordt ook een nieuw menstype geboren –en daarvan is Sancho Panza gedeeltelijk de spreekbuis. Niet langer de eer is belangrijk maar wel het goede leven: dit is het materiële bestaan. Niet de armoede is te verkiezen, maar wel de rijkdom: ‘Talenten en gaven waar je niets voor koopt, zijn mooi voor een verhaal […]’. Of: ‘[…]; je bent zoveel waard als je hebt, en je hebt zoveel als je waard bent.’ Ook de gematigdheid behoort tot het profiel van de burger: geen excessen. En leven in de verborgenheid. (‘[…] blijf thuis, zorg voor uw have, ga vaak biechten, wees goed voor de armen, […]’ (p. 1092)). Er is een democratisch begin: niet meer de afkomst bepaalt de waarde van een mens maar wel zijn daden. En ook Don Quichot zegt dit: ‘[…] dat Dulcinea de dochter van haar werken is, en dat deugden het bloed verbeteren en dat iemand die deugdzaam is maar van bescheiden komaf hoger moet worden geacht en aangeslagen dan een hooggeborene die niet deugt; […]’ Ook het moreel bewustzijn verandert. Don Quichot heeft wel de intentie om goed te doen, maar de resultaten zijn dwaas. We zien hier de overgang van een intentiemoraal naar een resultaatsgerichte moraal. (Sancho Panza: ‘[…]; maar met dat gedoe over komen en gaan en goede bedoelingen ja dan nee, bemoei ik me niet.’ (p. 1033)] Dit is de overgang van een religieuze naar een seculiere moraal. De taal verandert daarmee ook. Waar er vroeger metaforisch gesproken werd, worden taal en ding/feit nu nader bij elkaar gebracht. In hoofdstuk 56 zien we daarvan een mooi voorbeeld. Eerst wordt er een verhaal verteld over Amor en dan zegt de schrijver: ‘Wat ik bedoel, […]’. (Of helemaal op het einde van het verhaal: ‘[…], de geest gaf, waarmee ik bedoel dat hij stierf.’) Dat hij zijn bedoeling wil duidelijk maken, komt omdat hij geen geloof meer hecht aan die taal, aan dat soort verhalen. Nu wil hij duidelijk zijn en een communicatieve taal gebruiken. ‘Volgens mij,’ antwoordde Sancho, ‘zijn gedachten waarbij je in staat bent versjes te maken niet veel soeps. Maakt u maar versjes zoveel u wilt, dan zal ik slapen zoveel ik kan.’ En Don Quichot zelf komt tot inkeer: ‘Geen spreekwoorden meer, Sancho, in godsnaam,’ zei Don Quichot. ‘Het lijkt wel of je terugkeert naar het sicut erat; spreek eenvoudig, onopgesmukt, niet ingewikkeld, zoals ik vaak tegen je heb gezegd, en je zult zien dat één goed brood honderd andere waard kan zijn.’ (p. 1082)

Toch is dit beeld niet volledig, want Sancho Panza lijkt soms een rabelaisiaans figuur te zijn waar elke fijnzinnigheid of gematigdheid aan ontbreekt. We lezen resten van een voorbije tijd. Ook het geloof in tovenaars van Don Quichot is bijvoorbeeld een rest van een voorbije, pre-katholieke tijd.

De waarde van een klassiek boek ligt niet alleen in zijn meerduidigheid, maar ook in zijn veelheid. Het gaat dan niet over één hoofdpersonage, zijn avonturen, zijn psychologie maar over een zo volledig mogelijk beeld van de wereld.

Don Quichot beleefde in het eerste deel dwaze avonturen. Dit was het verhaal van zijn zelfbedrog. In het tweede deel wordt Don Quichot bedrogen en belachelijk gemaakt door anderen. Hij is twee maal een romanfiguur: eenmaal in het boek van De Cervantes en een tweede maal als personage in een boek van het boek (in feite moeten we dit nog verdubbelen want het boek wordt als een vertaling gepresenteerd). In het tweede deel wordt het verleden begraven: de overlevende is een ledenpop geworden, een speelbal van de anderen. Men toont hem aan het volk: zie hier een reliek. In sommige passages wordt dit zelfs pijnlijk: zo lach je niet met een simpele mens. De schrijver heeft geen medelijden. Don Quichot moet sterven: ‘Het huis was in rep en roer; toch at de nicht, dronk de huishoudster en had Sancho Panza schik, want een erfenis wist of verzacht enigermate de smartelijke herinnering die de dode als het goed is nalaat.’

Advertenties