don quichot (8)

door johan_velter

In de ‘Don Quichot’ lezen we een mentaliteitswijziging, een overgang van de ene tijd naar de andere, een zoektocht naar een gepaste manier om de wereld te bekijken, te begrijpen en om in de wereld te staan. Dat waarheid, schoonheid en kennis een drieëenheid vormen, wordt hier nogmaals aangetoond. De correcte kennis van de wereld leidt naar een waarheidsgetrouw leven en schoonheid manifesteert zich in de waarheid. Het is de leugen die afzichtelijk is, de duivel is afstotend, de hellepoort is de opengesperde mond van een monster.

De ‘Don Quichot’ is echter meer een verslag van een negatief dan van een positief mensbeeld. De riddermoraal moet bekritiseerd worden (al die belachelijkheden over eer, het redden van meisjes, het verheerlijken van trouw, de cultus van de abstracte begrippen). Maar welk mensbeeld komt er voor in de plaats? Dat is veel onduidelijker. Is het de moraal van Sancho Panza? Als we slechts een aantal van zijn karaktertrekken benadrukken, zien we in hem een volksmens die het plat-materiële (geld, eten, slapen) belangrijk vindt. Maar als standpunt is dit te weinig –want De Cervantes is een cultuurmens. Sancho Panza is echter simpelweg een dommerik en die slechts bij toeval verstandige dingen lijkt te zeggen.

Hoofdstuk 33 is een voorbeeld van hoe in dit werk een moraal wordt opgebouwd. Paradoxaal genoeg gebeurt dit in een onuitgegeven tekst die in een kist met boeken gevonden wordt. De schrijver ervan is onbekend en dit verhaal staat los van de Don Quichot-Sancho Panza-geschiedenis.

De Cervantes pleit voor een realisme, niet alleen in het denken (de wetenschappelijke stijl) maar ook in het handelen. ‘De slotsom is dus dat dingen proberen waarvan eerder nadeel dan voordeel te verwachten is, het kenmerk van redeloze, roekeloze breinen is, helemaal als ze die willen proberen terwijl zij er niet toe gedwongen of genoodzaakt zijn, en van mijlenver te zien is dat het onmiskenbare waanzin is ze te proberen.’ Dit is de humanistische moraal van de gematigdheid, de redelijkheid. Excessen, grenzeloosheid is iets voor dwazen. Dit is de moraal van Aristoteles zoals hij die in de ‘Ethica Nicomachea’ heeft neergelegd. De Cervantes spreekt van ridders maar er is waarschijnlijk ook een verwijzing naar die onzinnige christelijke martelaars en heiligen die het normale, menselijke bestaan willen breken door de werkelijkheid te ontkennen.

Verder wordt in dit hoofdstuk een betoog opgebouwd met pro’s en contra’s: het is duidelijk dat de schrijver een gewenst gedrag aan het construeren is. Hij tracht de lezer te overtuigen. Hij is een leermeester. Het boek een spiegel.
Dat de moraal samenhangt met een juiste kennis wordt het hele boek door herhaald, gevarieerd, aangetoond. Steeds weer hamert De Cervantes op hetzelfde aambeeld: wat is waarheid, hoe de waarheid kennen, hoe daarnaar te leven? Een bijzondere passage staat in de Nederlandse vertaling op p. 373 (hoofdstuk 36): “ ‘Gelogen heb ik nooit,’ zei toen de vrouw die tot dan toe had gezwegen. ‘Ik heb mij deze rampspoed juist op de hals gehaald omdat ik zo waarheidlievend ben en niet van leugenachtige middelen houd; daarvan kunt u zelf getuigen, want het feit dat ik de waarheid spreek, bestempelt u tot vals en leugenachtig.’ ”

Op verschillende plaatsen houdt Don Quichot een betoog over het verschil tussen de letteren en de wapenen. Het grappige is dat hij de wapens verdedigt, terwijl hij zelf een exponent is van een vervalsende literatuur en hij geen enkel wapengevecht ooit gewonnen heeft. Zo bijvoorbeeld: ‘Uit mijn ogen wie zeggen dat de letteren verhevener zijn dan de wapenen; ik zal hun, ongeacht hun persoon, duidelijk maken dat zij niet weten wat zij zeggen.’

Advertenties