don quichot (7)

door johan_velter

In hoofdstuk 18 van het eerste deel van de ‘Don Quichot’ lezen we hoe De Cervantes zijn programma uitschrijft en zijn hoofdpersonage als een verwittiging voor de domheid gebruikt. Over Don Quichot schrijft hij dan: ‘[…]; maar omdat hij niettemin in zijn verbeelding zag wat hij niet zag en wat er ook niet was, nam hij het woord […]’. De Cervantes klaagt de verbeelding aan. Even verder: ‘[…], meegesleept door de verbeeldingskracht van zijn ongehoorde waanzin, […]. En de oorzaak is: ‘[…] doordrenkt als hij was van wat hij had gelezen in zijn leugenachtige boeken!’ (vertaling Barber van de Pol)

De Cervantes trekt een scheidingslijn: enerzijds de waarheid, anderzijds de verbeelding, die hij gelijkschakelt met de leugen. (En dit laatste verbindt hij met de islam. Het ‘Turkse gevaar’ maakt de schrijver tastbaar.)

In hoofdstuk 20 –het verhaal doet er niet toe- wordt verteld hoe een visser geiten overzet. Sancho Panza verwittigt Don Quichot: ‘Houdt u goed bij hoeveel geiten de visser overzet, want als er één over het hoofd wordt gezien, is het verhaal uit, en kan ik er geen woord meer over vertellen.’ En effectief, op de volgende bladzijde (173) eindigt het verhaal ‘waar het begint mis te gaan met tellen bij het overzetten van de geiten.’

Hier hebben we de ambivalentie van het verhaal: er is een fantasie maar er moet nauwlettend op toegezien worden dat alles klopt of anders is het verhaal uit. Hier dringt de werkelijkheid letterlijk het verhaal binnen. De Cervantes scheidt het leven van de kunst. Tellen (d.i. het onderscheiden, het calculeren, het in verzamelingen onderbrengen) is een wetenschappelijke manier van denken en het is die methode die het verhaal ook stopzet. De nieuwe tijd kondigt zich hier aan: het is een andere, nieuwe manier van denken die de Middeleeuwen afsluit. De Cervantes is een ernstig schrijver en hij verbindt denken en leven met elkaar: een dwaas is niet dwaas omdat hij dwaas handelt maar omdat hij dwaas denkt, omdat hij de verkeerde bronnen gebruikt, omdat hij de werkelijkheid niet wil zien.

De ‘Don Quichot’ is dus veel meer dan een literair hoogtepunt of een boek dat andere boeken incorporeert. Het is in de eerste plaats het belachelijk maken van metafysica. En daarom hoefde de schrijver ook de katholieke kerk niet aan te vallen. Het geloof is slechts een onderdeel van de metafysica.

In hoofdstuk 32 wordt tegen elkaar opgeboden: wie kent er de strafste verhalen? En hier wordt de andere zijde van het lezen (in groep) getoond: het plezier. Maar De Cervantes vindt dit toch maar min: het plezier is altijd verdacht. Ernst moet er zijn. Nu enkele citaten uit deze baldadige vreugdebladzijden: ‘In de oogsttijd komen hier namelijk op feestdagen een heleboel maaiers bijeen en er zijn er altijd wel een paar die kunnen lezen en dan pakt één van hen zo’n boek en wij gaan met z’n dertigen of meer om hem heen zitten en luisteren met zoveel genoegen, dat het ons duizend grijze haren scheelt; [maar dan komt het venijn:] ik voor mij kan tenminste zeggen dat ik gewoon zin krijg om mee te doen als ik hoor vertellen over de vervaarlijke, vreselijke dreunen die de ridders elkaar verkopen, en dat ik wel dag en nacht zou willen luisteren.’ De Cervantes wijst hier op de kwalijke gevolgen van de ridderverhalen: in een tijd dat er geen ridders meer bestaan, wil men nog ridder zijn!

En dat plezier is –zoals gezegd- verdacht. We horen in de Don Quichot de aankondiging van de calvinistische arbeidsmoraal (in het katholieke Spanje) en de kapitalistische productiewijze: ‘Bedenk broeder, hervatte de pastoor, dat er op de hele wereld geen Felix Mars van Hyrcanië of Don Cirongilio van Thracië of enige ridder heeft bestaan van het slag waarvan de ridderromans gewagen, want dat is allemaal in elkaar gezet en bedacht door slimme luiwammesen die ze hebben gemaakt met het oogmerk dat u noemde, namelijk de tijd verdrijven, precies wat uw maaiers doen wanneer ze ze lezen.’

Dit hoofdstuk (maar dat gebeurt ook op andere plaatsen) behandelt de waarheidsstatus van de kunst. Als boeken onzin verkopen, waarom wordt dan toegestaan dat ze gedrukt en verspreid worden. De hoge heren zijn toch geen dwazen. Andere kant: net zoals er balspelen zijn, zijn er ook boeken: ze dienen om ons te vermaken ‘in de terechte veronderstelling dat niemand zo dom zal zijn ook maar één verhaal uit deze boeken voor waar te houden.’

Het dilemma: zijn de boeken dom of zijn het de lezers? In het tweede geval is de strekking van wat De Cervantes bedoelt een anti-democratische: het volk weet het ware niet van het onware te scheiden en dus moet het boeken ontzegd worden.

Advertenties