m.y.

door johan_velter

Zoals Marguerite Yourcenaar aan haar boeken bleef schrijven, haar hoofdpersonen herontdekte, zo zou ook een lezer de boeken steeds weer moeten herlezen. Niet dat een herlezing het boek wijzigt –al te modieuze dwaasheid- maar het lezen gebeurt anders. Het is de lezer die verandert, nieuwe kennis toevoegt, anders interpreteert en om nieuwe zaken getroost moet worden. Het herlezen en ook het lezen van Yourcenars notities doet het besef rijzen hoe de distante reflectie die door de schrijver zelf openbaar gemaakt wordt, verdwenen is. Haar blik is het maken zelf.

Soms is het pijnlijk hoe ze zich verzet tegen de invloed van Gide. Oh, reageert ze, maar de brief (Alexis) is een vorm die door zoveel andere schrijvers gebruikt is. Maar daar gaat het niet om: het gaat om die typische, cartesiaaanse houding. Een betrokkenheid die koel blijft. Een analyse die zich niet tevreden houdt met een beschrijving van de oppervlakte. Een zin voor details waardoor de personages en de tijd gekenschetst worden en dus levendig gemaakt. En ook: een superieure intelligentie. Er is geen meeslependheid, een lezer wordt niet in het verhaal gezogen zoals hedendaagse critici dit zo graag verkondigen: een onderdompeling van emoties en spanning. (Isabelle Huppert transformeert deze houding naar het filmmedium. De jonge Glenn Gould interpreteert op deze manier Bach. Christian Schad schildert zo de mens.) Bij Yourcenar is de literatuur een intellectuele oefening, een leren leven. Marguerite Yourcenar is Franser dan dat ze Vlaams zou zijn.

Zeno, altijd weer Zeno. De verbazing nu als Yourcenar in haar notities schrijft dat Zeno slechts op het einde van zijn leven beseft hoe de weigering noodzakelijk is. Slechts op het einde? Terwijl zijn leven zelf een nee is –tegen de maatschappij of beter de concrete mens- én een ja tegen het leven. Het is deze mengeling van houdingen die de figuur zo enigmatisch maakt. Hij onderzoekt mens en wereld in dienst van de mens maar hij houdt zich afzijdig. Als een autonome rotsblok leeft hij. De eenzaamheid van grote intelligenties –ja, dus ook van Gide. Zeno veracht het leven niet, hij neemt de geneugten op maar hij verliest zichzelf niet. Hij gebruikt lichamen om zich een genoegen te geven, tegelijkertijd beseft hij wat er gebeurt, is hij zichzelf een object. Hij is geconcentreerd op de materie en daardoor kan hij nadenken over de vrije wil. Stoa. Elke metafysica is hem vreemd. Zijn onbesuisdheid gaat over de mogelijkheden van de geest, de materie gebruiken om –binnen de materie blijvend – die te overstijgen.

Het hoofdstuk ‘De afgrond’ –niet toevallig luidt de Engelse vertaling van ‘L’oeuvre au noir’ ‘The Abyss’- van een meedogende helderheid. Een atheïstisch en hedendaags ‘livre d’heures’.

Teksten over Yourcenar zijn zelden verhelderend. Al snel schrijven de auteurs als over een mythisch figuur, een godengelijke in een tijdspunt die alle tijden overspant. Ze staat buiten de tijd in de tijd. Onbegrepen. Zoals slechts een mens begrepen kan worden.

Advertenties