geschiedenis van de nederlandse bibliofilie

door johan_velter

Alle bezwaren die er waren bij de ‘Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat’ (2007) zijn er terug bij de ‘Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie’ (2010). Piet J. Buijnsters schrijft misschien aangenaam maar het babbelen (kletsen) overheerst en ook dit boek draait uit op promotionele praatjes voor bevriende veilinghouders e.a. Ook deze geschiedenis is een verzameling levensschetsen, nu voornamelijk, maar niet uitsluitend, van verzamelaars. De relevantie van sommige vermelde feiten is ver te zoeken. In andere gevallen zijn de beschrijvingen veel te beknopt en wordt de relatie met het verzamelgebied niet duidelijk gemaakt.

Maar het begint al met het begrip bibliofilie zelf. Voor Buijnsters is dit blijkbaar alles wat papier is (maar ook non-books). Het kan gaan om marginale uitgaven, het kan gaan om papierspeelgoed, om centsprenten, om oude en nieuwe prenten, enz. De keuze van de verzamelaars die de auteur maakt is al te subjectief: niet het domein bepaalt de keuze, maar of de auteur de desbetreffende verzamelaars al dan niet kent. De auteur zet zichzelf graag in de zon: ‘Het is hier niet de plaats om uitvoerig te spreken over mijn jarenlange vriendschappelijke betrekkingen met […].’; of ‘op onze aansporing’, ‘van onze Bibliografie’ …. Het hoogtepunt van ijdelheid is te vinden op p. 314: ‘Wij weten wie hij bedoelt, maar gaan daar verder niet op in.’

Waarom worden plaatselijke kunstenaars tot de bibliofilie gerekend en andere niet? Waarom worden verzamelaars van kookboeken hier opgenomen? Waarom wordt een tijdschrift als ‘Boekenpost’ geprezen terwijl dit zeer oppervlakkig en vooral heemkundig van aard is? Waarom worden antiquaren hier nogmaals uitvoerig belicht? De illustraties zijn weinig relevant: wat heb je aan een portret van een verzamelaar? Wat heb je aan afbeeldingen van een ex-libris als zelfs de kunstenaar niet vermeld wordt of wat de bron van de afbeelding is? (bijvoorbeeld op p. 116 waar drie ex-libris van Garmt Stuiveling getoond worden: één ervan is geïnspireerd op het Erasmusportret door Holbein). Anderzijds: Buijnsters bespreekt bijvoorbeeld de typische pagina van een Elzevierboek maar toont er geen illustratie van. In veel gevallen meldt Buijnsters wel iets maar komt hij niet tot de kern van de zaak, bijvoorbeeld op p. 126 gaat het over de slechte ontvangst van een bepaald werk maar de auteur zegt niet wat die kritiek dan wel was.

Het allergrootste bezwaar echter is dat er nauwelijks wordt ingegaan op de collecties zelf. Wat zijn de topstukken, wat is interessant en waarom is het ene domein al relevanter dan het andere? Wat hebben we er bijvoorbeeld aan als Buijnsters meldt dat de heer X een collectie erotica had als we geen enkele titel te lezen krijgen?

Eigenaardig is dat de auteur prijzen nog steeds in guldens vermeldt. De structuur van het boek is onduidelijk. Elk hoofdstuk lijkt op zichzelf te staan, zonder dat er verbindingen gemaakt worden. Wat is de relevantie van het hoofdstuk ‘Belangrijke veilingen in de eerste helft van de twintigste eeuw’? Was dit niet beter in andere hoofdstukken verwerkt?

Op enkele plaatsen tracht de auteur wel lijnen te schetsen en dan besef je pas goed hoe een werk als dit geschreven had kunnen/moeten worden. De auteur laat zich echter overdonderen door de veelheid aan feitjes en verliest het geheel uit het oog. Dit boek is een verzameling artikelen maar geen boek.

Het werk doet echter wel beseffen hoe klein deze wereld is. Er zijn antiquaren die leefden van slechts enkele verzamelaars. Op sommige gebieden waren er in Nederland (en dat geldt ook voor andere landen) maar één of twee verzamelaars die er werkelijk toe deden. Soms werden deze collecties aan het publieke domein geschonken of verkocht, in andere gevallen werden de verzamelingen verspreid en opgenomen in weer nieuwe privé-collecties.

Enkele citaten.

In 1896 schrijft R. van der Meulen: ‘Onze moderne huizen bieden weinig gelegenheid voor de doelmatige plaatsing van ook maar enigszins uitgebreide boekverzamelingen.’

Coen van Veen was een verzamelaar van kinderboeken. Zijn standpunt was: ‘Oude kinderboeken hoorden volgens hem in handen te blijven van de particuliere verzamelaar. Die zorgde er tenminste goed voor. Een bibliotheek noemde hij een bordeel voor boeken en een museum een crematorium voor de geest.’

In het tijdschrift Literatuur schreef Buijnsters ooit een artikel met als titel ‘De neerlandicus als boekenhater’: er is geen verband tussen de universitaire wereld en de wereld van het boek. Het feit constateren is één ding, een verklaring geven een ander.

Wat wel duidelijk wordt in dit boek is het grote belang van particulieren voor het behouden van wat waardevol is. Het zijn de verzamelaars die de pioniers geweest zijn, de officiële instellingen zijn in veel gevallen pas later in actie geschoten. Zo heeft bijvoorbeeld Douwe Wouters een unieke collectie van liedblaadjes opgebouwd: zonder hem was er nu –waarschijnlijk- nauwelijks nog iets beschikbaar. Ook het belang van bibliografie wordt in een aantal gevallen zeer duidelijk gemaakt.

‘Maar Bosscha vormde het levende bewijs dat men een boek pas goed leert kennen wanneer men er dagelijks over beschikken kan.’

En de neergang: ‘Thans verzamelt hij vooral boekenleggers, waarvan hij er inmiddels zo’n 75.000 bezit.’

Advertenties