het naleven van diderot (19)

door johan_velter

Diderot_regrets

‘Regrets sur ma vieille robe de chambre’ heeft aanleiding gegeven om te spreken van een Diderot-effect. De verstoring van het geheel door één element. Grant McCracken beschreef dit fenomeen in het boek ‘Culture and Consumption’. Dit is de basis van de consumptiemaatschappij: de eindeloosheid van de verlangens. Wie zich beweegt, is gevangen. Diderot krijgt een luxueuze kamerjas van een bewonderaarster. Dat accordeert niet met het vloerkleed, en met de prenten aan de muur, en met de rommelige boekenkast, … Alles moet dus vervangen worden.

In dit stuk is Denis Diderot niet de criticus van de consumptiemaatschappij —die bestond immers nog niet. Wel getuigde zijn instelling van een ‘Romeinse’ houding: de uiterlijkheden zijn onbelangrijker.

De oorzaken van de Franse revolutie zijn velerlei. Een maatschappelijke structuur die ten einde was, de monarchie die het land uitgezogen heeft, een failliete staat, een allesdoordringende corruptie, een zich niet willen aanpassen aan andere voedingsgewoonten (men weigerde de aardappel als vervangmiddel van het brood), de concurrentie met andere landen, enzovoort. Maar ook worden steeds de geschriften van de Verlichtingsfilosofen genoemd —zowel in hun voor- als in hun nadeel. Legt men de nadruk op de terreur: het is de schuld van de filosofen. Legt men de nadruk op de vrijheid, de mensenrechten, de ontvoogding: het is de verdienste van de filosofen. Maar we kunnen met zekerheid stellen dat ook de geschriften van de Verlichtingsfilosofen gevormd zijn door de omstandigheden.

‘Sursum corda!’ (1894) is de tweede roman van Cyriel Buysse. Het boek is niet erg welwillend onthaald en in de literatuur wordt het niet tot de topwerken van Buysse gerekend. Het is een voor hem typisch verhaal. Er is een hoofdfiguur die zijn volk, zijn dorp wil verheffen. Hij wordt door de conservatieve krachten tegengewerkt en uiteindelijk zal de hoofdfiguur ook vluchten. Ze (d.w.z. het volk en de notabelen) verdienen het niet: dat ze verrotten in hun achterlijkheid.

De roman toont de twee zijden van het ‘Sursum corda’. Enerzijds hebben we de traditionele, klassieke betekenis: de priester: Dominus vobiscum, de gemeente: Et cum spiritu tuo, de priester: Sursum corda. Verheft uw hart tot de Heer.

Anderzijds gebruikt Buysse het ‘Sursum corda’ in de seculiere betekenis: ‘Sursum Corda! verheffing van het hart! verheffing van den geest; verheffing van het gansche menschelijk wezen! Ziedaar wat gij, nederigen en miskenden, voor wie ik bij voorkeur deze regelen schreef, eerst en vooral noodig hebt! De boer, die lezen, denken kan; de arbeider, die, in plaats van een lastdier te zijn, tot den rang van een meer beschaafd, ontwikkeld man is geklommen; en gij allen, die met uwe waardigheid als menschen, de rechten van een mensch zult hebben leeren kennen en waardeeren, zult niet, kunt niet langer, gelijk nu, miskend en als slaven behandeld worden. Leest dus, verlicht u, verheft u, het is het middel uwer redding!’

Deze zinnen zijn huiveringwekkend. De hoofdpersoon wil de plaatselijke bevolking verheffen door hen zijn tijdschrift te laten lezen —net alsof de materiële toestanden hen dat toelieten. En vandaag hebben we de bibliotheek van de 21ste eeuw waar het lezen onmogelijk gemaakt wordt.

Maar er is ook de andere zijde. Een redemptorist komt in het dorp een donderpreek geven — tegen de nieuwlichters. Eerst spreekt de pater over de positieve invloed van de drukpers. De goede publicaties hebben de weldaden van het ware geloof verspreid. Hij vertelt een anekdote: er was een hardnekkige ongelovige, een priester leerde hem lezen, en daardoor kon hij kennis nemen van de ‘sublieme mirakelen der Heilige Kerk’. Hij werd een vurige gelovige.

We zien hier een omgekeerde geschiedschrijving: dankzij de drukpers is het ware geloof verspreid (en niet het protestantisme of erger) en het lezen kan iemand tot een gelovige maken.

Maar –dondert de pater- die drukpers kan ook het instrument van het kwaad zijn. En hij vervolgt:

‘De Fransche Revolutie, die euveldaad, die in gruwelijkheid al de misdaden van het gansche menschdom overtreft, was het werk der slechte schriften! Voltaire, riep hij, Voltaire! een der meeste sloebers, die ooit op de wereld geloopen hebben!… Jean-Jacques Rousseau! … die een niet minder ondeugende kerel was!… En Diderot! … misschien nog de grootste schelm van de drie! … ziedaar de drie, voor eeuwig gebrandmerkte en verdoemde schoften, die door hun schandelijke, door hun walgelijke schriften, die monstrueuse euveldaad — de Fransche Revolutie — hebben doen ontstaan!’

Ja, in het dorp Looverghem zal het noemen van die namen veel herkenning en instemming opgeroepen hebben.

Wat de pater redemptorist hier van op de kansel roept, verschilt overigens niet veel van wat mensen als John Ralston Saul in ‘Voltaire’s Bastards’ of John Gray in ‘Straw Dogs’ nog steeds verkondigen.

Het noemen van de twee filosofen en de romantische leugenaar is vandaag evident. Nochtans weten we dat Voltaire slechts een deïst was, Rousseau een rechtse hypocriet. Maar wat opvalt, is dat Diderot hier genoemd wordt en dan nog als de grootste schoft. In 1894 was de roem (het belang en de al dan niet slechte faam) van Diderot bijlange na niet zo groot als die van Voltaire of Rousseau.

Om het Diderotbeeld in de literatuur dus te kunnen nagaan moet er m.a.w. een volledige cultuurstudie gemaakt worden –en dat is één van de grote mankementen in de studie van Heidi Denzel de Tirado geweest.

In het boek ‘Voltaire en zijn tijd: studiën over de achttiende eeuw’ van L.F. Bungener (vertaald uit het Frans en uitgegeven door C. van der Post in Utrecht, 1857) wordt Diderot nauwelijks vernoemd. Bungener schrijft bijvoorbeeld: ‘De geheime, dat is de waarachtige geschiedenis van de ‘Encyclopédie’ vindt men in de brieven van Voltaire en zijn voornaamste correspondenten. Hij was het ware hoofd en de ziel der onderneming, ten minste gedurende de eerste jaren.’ In dit boek wordt d’Alembert als de correspondent van Voltaire gezien. Wat ook juist was: de relatie tussen Diderot en Voltaire was niet zeer optimaal. Maar deze eenzijdige visie is historisch onjuist. Het is Diderot die de volledige ‘Encyclopédie’ gedragen heeft. Zowel d’Alembert als Voltaire heeft op zeker moment zijn medewerking opgezegd. Als er dus één naam met dit ‘opruiend’ geschrift verbonden moet worden, dan is het Diderot. Wat Buysse doet, en Bungener niet. de studie zou dus moeten uitgebreid worden om te zien welk beeld de toenmalige maatschappij van de Verlichting had en welke figuren als dominant beschouwd werden.

Cyriel Buysse was dus beter op de hoogte van de werkelijke toedracht van het belang van Diderot dan Bungener en de goegemeente. Hij moet dus betere bronnen gehad hebben. Dit betekent ook dat hij intelligenter was.

Maar op deze manier kan er ook een geschiedenis geschreven worden van de gaten in de cultuurgeschiedenis: daar waar X of Y vermeld hadden moeten worden en waar het niet gebeurde. De geschiedenis van de verdwenen figuur.

Advertisements