het naleven van diderot (18)

door johan_velter

Een andere manier om een geestesgenoot te eren, is een meer subtiele. Men werkt dan ‘in de trant van’. Uiteraard is er geen sprake van plagiaat maar er wordt een zielsverband gesuggereerd. Er worden draden gespannen. Een goede zin wordt min of meer herhaald, verpakt en in een andere context geplaatst. Er spreekt een affiniteit uit met een ander oeuvre en daarmee worden families gevormd. Soms kunnen deze verbanden gezocht lijken –en soms zijn ze dat ook. Het is minder duidelijk dan wanneer een schrijver de naam Diderot gebruikt of verwijst naar een bepaalde periode.
Richard Minne is zijn hele leven francofiel geweest. In zijn cursiefjes voor de Gentse, socialistische krant ‘Vooruit’ schreef hij korte stukken. Ze konden over iets gaan maar ook over niets. Zijn levensmoeheid was af te leiden. In zijn gedichten noemde hij schrijvers. Het bekendste is misschien wel het negende Hoveniersgedicht:

Ik denk aan Tchekof
waar ik loof trek of
Tobbie melk. Altijd.
Weemoedigheid.’

Of het gedicht ‘Gogol’, dat begint met ‘Ik lees Gogol. Hij is groot.’

De stukjes van Minne, al dan niet in twintig lijnen, zijn schaamteloos gericht op hemzelf. Hij noemt schrijvers en boeken en daar hij ze noemt, zijn ze ook de moeite waard. Hij beschrijft en hij vertelt maar hij wil niet overtuigen, hij zoekt geen argumenten – dat is iets voor de zwakkeling. ‘Minne heeft het gezegd’, is hem voldoende. Zijn voorliefde voor Jules Vallès, Jules Renard, Rabelais, Diderot e.a. is ideologisch bepaald. Hij zoekt schrijvers die over het gewone leven schrijven, die de waarheid vertellen, geen systeem voortoveren. Er is wat melancholie, de houding is die van de kleine man tegenover de heren. Wij doen maar wat.

Marco Daane noemt in zijn biografie van Richard Minne, het boek ‘De neef van Rameau’ van Denis Diderot zijn lijfboek. In de in boekvorm gepubliceerde teksten van Minne zijn er geen besprekingen van het werk van Diderot te vinden — maar die zullen er wel geweest zijn. In ‘Wolfijzers en schietgeweren’ schrijft hij in het stukje ‘Bibliotheek aanleggen’ dat je iemand moet herkennen aan zijn boekenkast en dat die geen rommelkast mag zijn. Er moet streng geselecteerd worden. Dan vermeldt hij als eerste boek: <‘Le neveu’ van Diderot komt er bij me in.>

Volgens Daane moet Minne dit werk al zeer vroeg gekend hebben, we spreken van 1909 (Minne is geboren in 1891, gestorven in 1965).

Meer nog, hij legt een direct verband tussen de neef en Minne zelf. Du Perron had in Forum en dit naar aanleiding van Rimbaud geschreven over de vier mogelijkheden van het leven: slagen, mislukken, berusten of zelfdoding toepassen. Minne haakte daar op in en koos voor de derde optie (zie daarvoor ook zijn gedicht ‘Melancholie’: ‘Ik wenste snul te zijn of genie. / Nu hang ik tussen beiden. / Vandaar het eeuwig verbeiden, / en de uitkomst: melancholie’): ‘genoeg om het hoofd boven water te houden en met als voornaamste winst: zoo min mogelijk aan anderen verschuldigd zijn en zooveel mogelijk zichzelf blijven.’

Marco Daane verklaart: ‘Het is de houding van de neef uit Minnes ‘lijfboek’, Diderots ‘Le neveu de Rameau’, een man die zijn noodgedwongen werkzaamheden zo snel mogelijk vergeet en voor zijn daden en gedachten alleen aan zichzelf verantwoording schuldig is. Ook Minne nam die houding aan nu hij in dienst van anderen zijn brood moest verdienen.’ (p. 274-275).

De appreciatie van Richard Minne voor de Franse literatuur lag hem vooraal in het spirituele en het moralistische. Minne was wars van alle systemen maar kwam wel in opstand tegen onrecht. Hij maakte zich kwaad –en hij kon dat ook terwijl hij een sigaret rolde- bij het zien van pretentie, bij het gebruiken van holle woorden. Zijn voorkeur ging uit naar scherpe schrijvers: auteurs die zeiden waar het op stond.

In een vraaggesprek met H.U. Jessurun d’Oliveira zegt Minne: ‘En dan natuurlijk ook in de eerste plaats Diderot, die onder de klassieke auteurs misschien, laten we zeggen, de modernste is van allemaal, want ge kunt bladzijden van Diderot lezen, dat ge, moest er geen datum op staan, zoudt zeggen, dat is een vent die in 1940 of 1950 schrijft. Voltaire ook natuurlijk. Ook Montaigne herlees ik. Ik hou het op de ironisten, ook de Engelse als Sterne en de Duitse als Heine en Lichtenberg. De mensen waarvan men houdt zijn het beste zelfportret dat men kan geven. Al kan men in deze christelijke wereld zijn vijanden beminnen. Charles Péguy b.v., zijn werken lees ik met instemming en zelfs genoegen. Dat komt voor.’

‘Le neveu de Rameau’ begint aldus: ‘Qu’il fasse beau, qu’il fasse laid, c’est mon habitude d’aller sur les cinq heures du soir me promener au Palais-Royal.’ In de vertaling van N. Lijsen (1989): ‘Of het mooi of lelijk weer is, elke middag tegen een uur of vijf maak ik mijn vaste wandeling naar het Palais-Royal.’

Het verhaal ‘De neef uit Kongo’ van Minne begint aldus: ‘Of het hagelde, bliksemde of woei, de volle lading kwam nooit op het dak van meneer Knuyt terecht.’

De titel ‘Heineke Vos en zijn biograaf’ doet denken aan ‘Jacques le fataliste et son maître’. De tweede zin van de Inleiding luidt: ‘Iederen dag, bij valavond deed ik mijn wandeling door de stad.’

In de novelle en in de roman beschrijft Minne een en dezelfde figuur: de neef van Rameau. Helaas, hier zien we het verschil tussen een groot schrijver en een sympathieke knul. ‘De neef uit Kongo’ heeft enkele mooie passages en kortaffe Minne-zinnen (‘Ook zonder al te veel begrippen komt men rond in het leven.’) maar zoals steeds: wanneer het er op aankomt, is Minne weg. Ook hier. Minne beschrijft een burgerlijk echtpaar, de hypocrisie wordt streng beoefend. Dan komt er een brief van de neef uit Kongo. Grote verwachtingen, voorspel tot geluk. Tot de neef arriveert: dronken en een nul. ‘Op de canapé, in een hoopje gezakt, ligt kozijn Triphon en ronkt. Het is niet de ronk van den vermoeide, maar het vettig, reutelend gesnork van den dronkaard.’ En dan dooft het verhaal al een moede kaars.

Ook ‘Heineke Vos’ begint veelbelovend. In de inleiding schetst de schrijver zijn ontmoeting met Heineke Vos en Minne geeft de indruk: ‘Dat was me nog een kadee!’. Maar het verhaal van Minne is voor de zoveelste keer hetzelfde: beetje romantiek, beetje teleurstelling en de beschrijving van een potentiële neef van Rameau in de inleiding is tegengesteld aan de rest van het boek.

En toch, die enkele zinnen zijn er. Het gemonkel van Richard Minne.

En dan is er nog het gedicht ‘Vademecum voor den dichter’. Het is alsof de neef van Rameau zelf aan het woord is:

Doe dommer dan ge zijt,
maar mijd u voor de klippen;
leef buiten ruimte en tijd
doch spoed u lijk de kippen.

Werk zonder mate of plan,
maar spied door alle luiken;
veracht den burgerman,
doch ledig zijne kruiken.

Advertenties