het naleven van diderot (16)

door johan_velter

Diderot_dubois

René Puthaar, in zijn nawoord bij ‘De loslippige sieraden’ van Denis Diderot, schreef de merkwaardige, maar bevrijdende, zin: ‘De lust en het lichaam zijn de grote bewegers van het menselijk bedrijf, maar nergens is die lust subliem […].’

Bij de zestigste verjaardag van Pierre H. Dubois verscheen de bundel ‘Spinrag van tijd’ (1977). Dubois kent men omwille van zijn baanbrekende werk bij Nijgh & van Ditmar (nieuwe nijgh boeken). Hij introduceerde Armando, Vaandrager, Hans Verhagen, Willy Roggeman, René Gysen en Paul de Wispelaere in de letteren. Hij schreef samen met zijn vrouw de monumentale biografie ‘Zonder vaandel’ over Belle van Zuylen en verzorgde van deze ook de kritische editie van haar volledig oeuvre. (Hoe de tijd verandert: Joke J. Hermsen schreef over Belle van Zuylen de roman ‘De liefde dus’ (2008), een uiterst sentimenteel gedrocht dat niet méér tegengesteld kon zijn dan aan het werk van Van Zuylen zelf.) Dubois heeft verschillende essays over Franse literatuur geschreven.

‘Spinrag van tijd’ besluit met ‘Drie kantieken voor tijdgenoten’. Een kantiek is een geestelijk loflied. De tijdgenoten zijn Francesco Guardi, Denis Diderot en Joseph Haydn. Dubois is niet de grote dichter. Zijn poëzie is eerder een parlando, wat oubollig. Zijn eigen werk is geworteld in het humanisme van Forum, de mens staat centraal. De levenshouding van Dubois is gekenmerkt door een melancholie, zelf noemt hij het een nostalgie. Francesco Guardi was een Venetiaans schilder, Haydn de musicus. De drie ‘tijdgenoten’ hebben in de achttiende eeuw geleefd.

Dubois heeft veel vroeger n.a.v. de uitgave ‘Lettres à Sophie Volland’ (éd. André Babelon) een recensie in ‘Libertinage’ (4, 1951) geschreven. Daar waardeert hij in Diderot de harmonie: de overeenkomst tussen wat hij schrijft en wie hij is. Diderot heeft zich als mens –en daardoor ook het algemeen-menselijke- in de literatuur geschreven.

1951 en Dubois schrijft: ‘De echte Diderot-minnaars onder de literatuur-historici (er zijn er niet zoveel!) […]. En even verder: ‘Bij mijn weten bestaat er maar één boek, gewijd aan de correspondentie van Diderot, […]’. Een halve eeuw later is de situatie wel veranderd. Er zijn kasten vol geschreven over Diderot, er zijn twee tijdschriften aan hem gewijd, verschillende universitaire centra werken intensief rond zijn werk, Jonathan Israel maakt van hem een spilfiguur van de radicale Verlichting, enz.

Ook zijn correspondentie werd en wordt nog intensief bestudeerd. In 2007 bijvoorbeeld, verscheen van Odile Richard-Pauchet ‘Diderot dans ‘Les lettres à Sophie Volland’: une esthétique épistolaire’ (Paris, Honor? Champion). Babelon heeft uit de zeer uitgebreide correspondentie van Diderot de brieven aan Sophie Volland geselecteerd en die als een aparte uitgave de wereld ingestuurd. Odile Richard-Pauchet gaat in haar doctoraatswerk na welk Diderotbeeld we daardoor van hem krijgen en hoe die is in te passen in het algemene beeld van hem, van de epistolaire kunst (Abélard et Héloïse) en de Verlichting. Ook zij komt tot de conclusie dat dit werk geconstrueerd is, het is een ‘esthétique de la spontanéité’.

Dubois waardeert in Diderot de briefschrijver. De brief is voor hem de uitdrukking van ervaringen, gedachten en inzichten, hij legt rekenschap af, is een innerlijk verslag. Hij komt woorden te kort om zijn lof te formuleren. In ditzelfde artikel spreekt hij ook over Guardi en de aantrekkingskracht van het schilderij ‘Galaconcert te Venetië’. Hij schrijft: ‘Wat heeft mij in dit schilderij aangetrokken? Het komt mij voor dat het de atmosfeer van het spelkarakter geweest moet zijn van een onherhaalbare achttiende-eeuwse luchtigheid, een tafereel waaraan iedere zwaarte ontsnapt en waar ik zo maar weergegeven vond, wat men tevergeefs onder woorden poogt te brengen als men het over de verrukkelijkste tevens lichtzinnigste eeuw van ons Europa heeft.’

Wat dit schilderij met Diderot verbindt, is het ‘natuurlijke’: geen grote gevoelens, maar helderheid, klaarheid, leven, sierlijkheid – zonder aanstellerij, gratie –zonder gewichtigheid, ijdelheid – zonder ernst.

Het lezen van de brieven aan Sophie, roept bij Dubois een ‘sterke nostalgie’ naar de achttiende eeuw op. Nostalgie omdat hij die volledigheid niet meer in de eigen tijd vindt, omdat hij nu geen contradicties meer verdraagt maar rechtlijnigheid eist. ‘De achttiende eeuw’, schrijft Dubois, ‘is voor mij Diderot, Watteau, Guardi, Manon Lescaut, verdwijning van het jans?nisme, verdrijving van het jezuïetisme, beoefening van de redelijkheid en erkenning van het gevoel. Redelijkheid en sensibiliteit konden nog versmelten tot een synthese in iemand als Diderot. Zijn brieven aan Sophie zijn er het overtuigende bewijs van.’

Als iemand meer dan vijfentwintig jaar later een kantiek aan Guardi en Diderot wijdt, dan mogen we gerust stellen dat deze figuren ook in hun naleven een leven bepaald hebben.

Negen strofen bevat het gedicht ‘Denis Diderot’ en samen vormen ze een biografisch gedicht. Dubois doet bijna niet aan interpretatie, houdt zich aan de feiten en beschrijft een leven.

De eerste strofe is Diderot, de wetenschapper. Hij is ziek en plots komen er zinloze zinnen uit zijn mond. Hij staat op, bekijkt zijn gezicht en constateert dat hij een beroerte heeft. Diderot neemt zichzelf als object van kennis. Hij jammert niet, hij ziet.

De tweede strofe behandelt Diderot, de classicus. Hij citeert Grieken en Latijnen. Dubois verhaalt dat zijn ziekte vordert, doch hij ‘bleef lucide’.

Diderot, de ongelovige, komt in de derde strofe te voorschijn:

‘De avond voor hij de geest gaf, verklaarde hij:
‘de eerste stap naar de filosofie is het ongeloof’.
Dit aforisme werd zijn wijsgerig testament.’

De volgende strofe waardeert Diderot om zijn menselijkheid. Zijn kwaliteiten ‘verwarmen het hart’. Dit wordt vervolgd in de volgende strofe waar hij de diners met de vrienden van d’Holbach oproept: de kunst van de conversatie, de kunst van de vriendschap.

Daarna kijkt Dubois in de toekomst en noemt hij Diderot als voorbeeld voor de ‘denkers zonder systeemdwang’, voor wie de bron het leven zelf is.

De zevende strofe herinnert Diderot zoals hij zichzelf beschreven heeft: de grootvader met kleinkind op schoot, in een oude kamerjas en met honderd verschillende gezichten op één dag.

De voorlaatste strofe is de herinnering aan Sophie en hoe hij –vriendelijk als steeds- toch al bijna elders vertoeft.

De laatste strofe is de dood:

‘Zon valt op tafel door het raam
van het huis in de rue Richelieu.
Hoe geuren de abrikozen… Bedachtzaam
neemt hij een vrucht van de schaal,
strijkt er langzaam de vinger langs,
eet hem, knikt. En is dood.’

Anton Korteweg heeft, in het nawoord bij ‘Stenen en sterren’, de verzamelbundel gedichten van Dubois, deze drie gedichten ‘de meest bijzondere gedichten’ van Pierre H. Dubois genoemd omdat hij hier poëzie en essayistiek op een goede manier verenigd heeft. Korteweg verklaart de drie kantieken – verkeerdelijk – als volgt: ‘Ik geloof eigenlijk niet dat er in de drie kantieken een andere grootste gemene deler schuilt dan dat het in alle drie gaat om individuen die vlak voor hun dood hun waarheid ontdekt hebben, […]’. Diderot heeft zijn waarheid niet vlak voor zijn dood ontdekt. De gemeenschappelijke noemer is wat Dubois genoemd heeft ‘de nostalgie’ naar een tijd die beter, want vollediger, was dan de onze.

Wat Diderot en Dubois nog met elkaar verbindt is hun levensfilosofie. Nogmaals Korteweg: ‘Dubois’ poëzie is principieel on-metafysisch.’

Advertisements