het naleven van diderot (8)

door johan_velter

Pompadour_de_la_tour_louvre

Van Denis Diderot is een aantal uitspraken over machthebbers bekend die nu nog altijd subversief klinken. Men zegt dat hij de teleurstelling over zijn Russische ervaring van zich af moest schrijven. Die fascinatie voor de macht, voor het maatschappelijk veranderen, was echter niet helemaal een fout. We kunnen die naklanken nog horen in het toneelstuk ‘Great Catherine’ van G.B. Shaw. (Catharina de Grote was voor Shaw natuurlijk een geliefkoosd personage: hij kon haar (zijn) scherpe uitspraken in de mond leggen, zoals bijvoorbeeld:

Naryshkin [falling on his knees in terror]: Be merciful, Little Mother [jaren later noemt men die andere moordenaar Vadertje]. My heart is in my mouth.

Catherine: Your heart and your mouth will be in two separate parts of your body if you again forget in whose presence you stand.)

Opvallend is dat er in dit stuk niet over Diderot gesproken wordt. Wel over Voltaire. En inderdaad: de roem van beiden is op en neer gegaan. Ook ter Braak vermeldde dit: men kende in Nederland Voltaire toen beter dan Diderot.

Diderot behoorde nooit tot de leidende klasse –ook al waren er (zoals gezegd) contacten met de aristocratie, met verschillende koninklijke hoven. De kloof in de maatschappij tussen de verschillende groepen en standen was enerzijds zeer strikt en anderzijds ook helemaal niet. Men kon op een relatief gemakkelijke manier in een andere klasse doordringen – zo lang men de conventies respecteerde en een aantal taboes niet overtrad. Als filosoof kon je in de salons terechtkomen, maar nooit kon je opgenomen worden in de aristocratische klasse. En als het nodig was, keerde de volledige klasse zich tegen de indringer en werd zijn ‘hubris’ genadeloos afgemaakt.

Madame de Pompadour, zelf een burgervrouw, was een verdedigster van de Encyclopédie. Op het bekende schilderij van Maurice Quentin de la Tour in het Louvre staan op de achtergrond dé strijdboeken van ‘les philosophes’: de ‘Encyclopédie’ van Diderot en d’Alembert. In deze contreien wordt de bijvrouw van de koning nog steeds veroordeeld voor haar lichtzinnig gedrag. Als Carla Bruni een hedendaagse Madame de Pompadour genoemd wordt, dan is zo’n uitspraak (naast de ordinaire vrouwenhaat) nog altijd gebaseerd op de katholieke geschiedenisvisie. De situatie was veel ambivalenter dan wat ons geleerd is.

Dit was het Ancien Régime: een maatschappij die op springen stond, waar zelfs de machthebbers overtuigd waren van de noodzaak tot verandering. Er was hypocrisie: tegelijkertijd was er ernstige (en dwaze) censuur én het oogluikend toestaan van verboden werken. Het hoofd van de censuur heeft Diderot meerdere malen geholpen in zijn strijd om de Encyclopédie te kunnen uitgeven. De fascinerende vraag is nog altijd: wat als de machthebbers intelligenter geweest waren, was de Franse Revolutie dan nog nodig geweest? En dan –altijd weer: denken aan de nutteloosheid van de doden.

Diderot heeft dus gevochten tégen de macht én gunsten ontvangen.

Het marxisme heeft Diderot in de traditie van het historisch materialisme opgenomen omwille van zijn materialistisch monisme.

Het anarchisme heeft van hem een voorvader gemaakt omwille van zijn anti-systeemdenken, zijn sensibiliteit, zijn vrijmoedigheid.

F. Domela Nieuwenhuis schrijft in ‘De geschiedenis van het socialisme’ (De roode Bibliotheek, Amsterdam, 1901-1902) over de verlichtingsfilosofen: ‘Sommigen – onder hen bovenal Diderot, die anarchistisch van aanleg was – waren socialisten zonder het zelven te weten en anderen waren wegbereiders van ’t socialisme, zonder het te willen, daar zij de oude vooroordeelen trachtten te verbannen uit de hoofden en het denken bevorderden.’ Juist dit zal de verlichtingsfilosofen binnen de materialistische geschiedenisvisie altijd discrediteren: ze willen (of ze konden) enkel maar de hoofden veranderen, niet de maatschappelijke toestanden. Domela Nieuwenhuis gaf als contrasterend voorbeeld: enerzijds de honger van het volk en anderzijds een uitgavenlijstje uit 1740 voor de koning: koninklijke tafel: 7.300.000 livres; menus plaisirs: 844.000 livres; geschenken aan maîtressen: 800.000 livres; enz.

Diderot heeft ook stelling ingenomen tégen het kolonialisme –ook al was dit geïnspireerd door een romantische visie op ‘de wilde’. Tahiti als een wereld zonder onderdrukking, waar vrije liefde en volledige vrijheid geconsummeerd konden worden. Gauguin zal het later schilderen.

Anton Constandse, die andere grote Nederlandse anarchist, schreef in zijn boek met de prachtige titel ‘Bevrijding door verachting’ over de zinnelijke Diderot. Het boek verscheen in 1976 en we zitten dan in een heel andere context. De sociale strijd is gestreden, er kunnen andere facetten van het anarchisme beklemtoond worden.

In dit boek onderzoekt Constandse die filosofische denkers die een bijdrage geleverd hebben aan het Europese begrip vrijheid. Constandse schrijft – in zijn typisch exalterende stijl: ‘[…] dat Diderot steeds weer de aandacht weet te vestigen op de sociale misstanden, de vele ondraaglijke belastingen, de klerikale overheersing, de veronachtzaamde deugden der arbeidzame burgers – familiezin, kinder- en ouderliefde, spaarzaamheid, werklust, wetenschappelijke zin – tegenover de vele ondeugden van de toenmalige adel. Werklust? Wetenschappelijke zin? Zijn dit woorden in de mond van een anarchist, van iemand die door achtenzestigers vereerd werd. Ja.

Maar het ‘echte’ anarchisme is elders te vinden. Constandse noemt als belangrijkste bijdrage van Denis Diderot zijn moraal die niet gebaseerd was op de godsdienst maar op de natuur en de fysieke behoeften van de mens. Die ‘fysieke’ moeten letterlijk genomen worden. Diderot sprak op een vrijmoedige manier over het lichaam, zijn behoeften en noden. Hij noemde masturbatie een normaal fenomeen, hij vermeldde de seksuele handelingen als alledaagse feiten, abnormale liefde kende hij niet.

In ‘La religieuse’ is een lesbische scène beschreven. De holebi-beweging heeft Denis Diderot daarom altijd al als een voorloper en een verdediger gezien.

Die anarchistische ‘mentaliteit’ kwam ook in zijn literaire werken tot uiting. ‘De neef van Rameau’ is niet het portret van een uitvreter, maar van een invreter: schaamteloos profiterend van de maatschappij, schaamteloos leven en ondergaan, maar met een levensdrang die onbreekbaar is. (Zulke figuren schilderde ook Bohumil Hrabal. Deze was de Tsjechische Diderot; Vaclav Havel de Tsjechische Voltaire.) De roman ‘Jacques et son maître’ behandelt als een volkse Spinoza de kwestie van de vrije wil. Maar wat hier opvallend is (en de verhoudingen letterlijk doet keren) is dat de knecht b ij naam genoemd wordt, dat hij als eerste geplaatst wordt en dat de meester slechts een aanhangsel is. Hegel zal later naar deze roman verwijzen om zijn meester-knecht-theorie te ‘illustreren’: de meester kan niet zonder de slaaf.

Advertenties