het naleven van diderot (1)

door johan_velter

Maxime Rovere, de jonge Franse Spinoza-specialist, breekt een lans voor Spinoza als stilist. ‘Oui, Spinoza fut incontestablement le Diderot néerlandais, non seulement par ses idées, mais aussi et surtout par sa plume. Comment se fait-il qu’on ait à ce point ignoré sa dimension littéraire ?’ (Le magazine littéraire, n° 493). Dit is overdreven. Zeker, er is verwantschap tussen beiden. Toch is er van een rechtstreekse invloed van Spinoza op Diderot geen sprake. Bij Diderot zijn lichtzinnigheid, frivoliteit en speelsheid aanwezig die je nooit bij Spinoza kunt aantreffen. Ook is het (in deze tijden) verdacht dat iemand tot het literaire gereduceerd wordt. Deze reductie past in zijn opvatting over het werk van Spinoza: hij noemt dit immers ‘un rationalisme de désir’ –wat het denken van Spinoza ontkent maar de huidige tijd kenmerkt.

Heidi Denzel de Tirado heeft het literaire naleven van Diderot in kaart gebracht in het boek ‘Biographische Fiktionen: das Paradigma Denis Diderot im interkulturellen Vergleich 1765-2005’ (Königshausen & Neumann). Martin Walser schreef in ‘Der Augenblick der Liebe’ (waar hij o.a. de wroegingtheorie van de La Mettrie behandelt): ‘Dieser Käfig, der Biographie heisst.’

Er zijn verschillende mogelijkheden om het naleven te reconstrueren. Een auteur kan zichzelf als onderwerp nemen. De autobiografie is een manier om zichzelf te vereeuwigen. Coetzee doet het nog anders: hij fictionaliseert zichzelf om zijn eigen bestaan te problematiseren. (Ook Diderot heeft dit in bijvoorbeeld ‘Le neveu de Rameau’ en ‘Paradoxe sur le comédien’ gedaan.) Een historische figuur kan in een fictioneel werk vermeld worden. Zijn ideeën en/of leven kunnen als inspiratievorm dienen zonder dat hijzelf als figuur optreedt.

Denzel de Tirado behandelt een deelaspect van het naleven van Diderot: ze gaat na hoe hij als fictioneel figuur behandeld wordt. Diderot moet niet alleen vermeld worden, hij moet een hoofdfiguur zijn. Ze doet dit binnen een literair kader. Uiteraard valt het woord postmodernisme. Dit is altijd grappig: Diderot wordt als een postmodernist gezien, terwijl hij leefde in een tijd die nog niet modernistisch was.

Het boek van Denzel de Tirado bevat geen index, onbegrijpelijk voor een wetenschappelijk werk. Nu en dan doet haar boek denken aan het doctoraat van Yra van Dijk over het typografisch wit in de poëzie: een bijzonder interessant onderwerp maar er nergens vat op krijgen en zich dan maar beperken tot een bespreking van de behandelde boeken.

Denzel de Tirado tracht de werken waarin Diderot beschreven wordt te classificeren, in een keurslijf te krijgen, etiketten op te kleven. Net alsof literatuur een vlinderverzameling is. Het lukt haar niet en ze komt dan ook niet tot relevante eindconclusies. Ze zegt relatief simpele zaken en verwijst daarvoor naar andere werken. Deze referenties hebben weinig zin omdat Denzel de Tirado niet binnen een (al dan niet nieuw) theoretisch concept werkt. Haar verwijzingen zijn als los zand. Een schrijnend voorbeeld is te vinden op p. 363-364. In deze passage verwijst ze naar ‘Diderot dans l’autobus’’ van Evelyne Sullerot (wat overigens geen fictionwerk maar een essaybundel is en daarom niet opgenomen had ‘mogen’ worden). Sullerot ontmoet Diderot op de autobus en ze laat hem haar conservatieve meningen bevestigen. Denzel de Tirado wil hier interessant doen en begint een theorie (sic) op te bouwen over het verschil tussen een ‘geest’ en een ‘materieel lichaam’ en ze verwijst naar George Tyrrell, niet de kritische jezuïet maar de parapsycholoog die over PSI-toestanden geschreven heeft. Wetenschap? Consistente theorievorming? Inzichten zoeken? Ook het begrip paradigma uit haar titel wordt niet in de theorievorming betrokken.

Haar uiteindelijke conclusies zijn al te mager: haar onderzoeksobjecten zijn nu eenmaal te beperkt in aantal om een theorie op te bouwen –en als ze een aantal werken niet (ver-)kent, komt ze helemaal in de problemen. Haar grootste tekortkoming is de beperking van haar onderzoek. Ze gaat niet verder dan het literaire terwijl het receptie-onderzoek juist interessant wordt door verder te kijken dan het louter literaire. Het is haar ook voorgedaan. Roland Mortier heeft bijvoorbeeld in ‘Diderot en Allemagne 1750-1850’ onderzocht wat de ‘Duitse’ visie op Diderot was. (Diderot werd meer dan eens ‘verweten’ dat hij te Duits was, niet Frans genoeg. Duitsland –en niet in het minst Goethe- is bijzonder verdienstelijk geweest in de Diderot-studie.)

Heidi Denzel de Tirado beperkt zich tot de Franse, Engelstalige en Duitse literatuur. Toch heeft ze nog een aantal boeken over het hoofd gezien. Marmontel bijvoorbeeld met zijn ‘Soirées de Bélisaire’. Of van Friedrich Sieburg ‘Greuze und Diderot’. Of van Marcel Spada ‘La fugue d’Angélique Diderot’. Of ‘Duftesser’ van Linus S. Geisler. Of ‘Le philosophe amoureux’ van Georges Peltier. Enzovoort.

Omdat ze haar onderzoek beperkte tot Diderot als hoofdfiguur kan ze een interessant werk als ‘Der Zauberbaum’ van Peter Sloterdijk niet behandelen. Of de korte verschijning in ‘Het bezoek van de lijfarts’ van Per Olov Enquist. Maar ook geen werken als ‘This is not a novel’ van David Markson, ‘Le neveu de Lacan’ van Jacques-Alain Miller of ‘Jewelry talks’ van Richard Klein. Werken waarin de geest van Diderot (en/of de vorm (het sjabloon) van zijn werk) meer dan werkzaam is en misschien wel veel interessanter zijn dan de (Franse) komedies die ze hier in extenso bespreekt.

Grappig is dat Denzel de Tirado de hoofdfiguur uit ‘La religieuse’ soms Suzanne Simenon noemt in plaats van Suzanne Simonin.

Doordat ze de werken als losse onderdelen behandelt, bemerkt ze de twistpunten binnen een nationale literatuur niet. Als Martin Walser in ‘Der Augenblick der Liebe’ het werk van Julien Offray de La Mettrie als onderwerp neemt, dan neemt hij ook stelling tégen Hans Magnus Enzensberger die in deze tijd immers de grote Diderotkenner én een hedendaagse Diderot wil zijn. Diderot verfoeide (op nogal wazige en onterechte gronden) het werk van de La Mettrie. En omgekeerd vond de La Mettrie het werk van Diderot nogal braaf. Martin Walser schrijft op zeker moment over de La Mettrie: ‘Zijn zintuigen zijn zijn filosofen’ wat een directe verwijzing is naar de uitspraak ‘Mes pensées sont mes catins’ van Diderot. Of hoe La Mettrie een oppermaterialisme poneert.

Toch belet dit alles (en nog veel meer) niet dat dit werk aangenaam om lezen was. De grootste verdienste is dat ze Malcolm Bradbury met zijn boek ‘To the Hermitage’ gepaste eer verleent.

Advertisements