roubaud, vroum-vroum en hutsepot

door johan_velter


Een heldere geest. Een wiskundige analyse. Een groot dichter. Jacques Roubaud laat in ‘Le monde diplomatique’ van januari 2010 zijn stem over de poëzietoestand horen.

Roubaud constateert: de poëzie wordt minder en minder in de kranten besproken; de boekhandel heeft geen poëzie staan en de televisie heeft geen interesse. De poëzie bestaat daardoor of omdat (‘a pour conséquence, ou est une conséquence’) niet op een economische manier. ‘La poésie ne se vend pas, donc la poésie n’a plus d’importance. La poésie n’a plus d’importance, donc ne se vend pas.’ Ook de literatuur en het boek lijden onder deze desinteresse maar bij poëzie is dit extreem geworden.

Punt 2: wie is verantwoordelijk? De dichters zelf zijn van de economische wereld vervreemd geraakt door hun elitarisme en daardoor zijn ze vastgeraakt in een immobiliteit. Narcistisch als ze zijn, houden ze zich niet bezig met de politieke, economische, menselijke problemen van hun tijd. Het is niet de moeite hen te lezen. Jacques Roubaud merkt op: wie graag poëzie leest, leest Hugo, Baudelaire, Rimbaud, … tot en met Michaux. Het lijkt erop dat de breuk te groot is –ook voor de poëzieliefhebber zelf. Maar: wie niet leest, zal nog minder lezen.

Er is al sinds het surrealisme een tendens naar het vrije vers, ten nadele van het rijm. Maar dit is slechts één aspect: dit is gekaderd in een algemene ommekeer van de traditionele poëtische taal naar een vlakkere taal die vlot in een andere taal kan omgezet worden. Roubaud noemt dit ‘le vers international libre’: geen rijm, geen gebondenheid, een geschreven vers dat zich door typografie onderscheidt, … ‘Ses exigences formelles sont assez faibles. Et ce fait entraîne un glissement de plus en plus sensible vers une phase (ultime?) de l’évolution formelle : celle où le vers lui-même n’est plus considéré comme nécessaire.’ (Hier volgt hij het betoog van William Marx.) Wanneer dichters voorlezen doen ze dat alsof ze proza lezen –weliswaar met een gedragener stem – – want het is poëzie. En dit is het nieuwe : de dichters zijn prozaïst geworden : ‘La poésie, et c’est spécialement sensible chez les poètes les plus avancés de France ou des Etats-Unis, se fait alors par petites proses courtes, mais non visiblement narratives : l’absence d’une trame narrative nette est alors le marqueur unique de l’appartenance au genre poésie.’

Voor deze wereld, voor deze tijd betekent poëzie niets: er is geen economische waarde, er is geen actualiteitswaarde. De maatschappij zegt ook: wat de dichters maken, dat is geen poëzie meer! ‘La poésie est morte pour toutes fins pratiques, mais son aura demeure.’ En op deze manier zijn er dichters die geen poëzie meer wensen te schrijven –en subsidies aanvragen om poëzie te schrijven. Onvermijdelijk keren de dichters zich af van de poëzie en schrijven ze proza of theater, of werken ze voor de film, de opera.

De tekst (zie ook wat Thomas Bernhard er over zei –sfcdt, 29/12/09) nam later de plaats in van de poëzie. De tekst is een begrip zonder bagage: geen literaire erfenis, geen ‘poëtische’ verwachtingen, geen verplichtingen, geen culturele eisen. (Poëzie is alles en overal, ze heeft geen beperkingen, ze pruttelt, ze is hutsepot.) Maar zelfs ‘tekst’ is nu nog te veel beladen: het nieuwe woord in Frankrijk is ‘document poétique’. Een serieus woord, minder metafysisch, bijna wetenschappelijk.

Enerzijds is de poëzie dood –omdat ze in het publieke domein niet meer bestaat-, anderzijds is er nog steeds een behoefte aan poëzie. Deze behoefte wordt nu bevredigd door het internet, POD. Een gedicht kan –i.t.t. een roman- gemakkelijk op een scherm gelezen worden. Maar er worden geen boeken gekocht.

Een ander succes zijn de poëziebijeenkomsten –een dichter is nog altijd goedkoper dan een zanger –overigens voor Roubaud een flauw argument. En hier komt het ‘slam’-fenomeen op de proppen. Iedereen is een mogelijke dichter en iedereen kan dichter spelen. ‘Dans le cadre de la poésie orale et publique, il s’agit d’attraper l’auditeur par le col en de le ‘claquer’ avec les mots, les images, pour le secouer, l’émouvoir.’ De ‘stichter’, Mark Smith, heeft het woord ook gekozen omwille van de ludieke en sportieve bijklank.

Roubaud geeft vier kenmerken van de Franse slam: oraal, geen artistieke intentie (democratie!), improviserend, teruggrijpend naar de middeleeuwse tenzone (strijdgedicht). Dit laatste is natuurlijk onzin: de tenzone was gebed in een intellectuele cultuur. Zowel de dichters als de toehoorders waren verre van subjectief en onkundig. De slamcultuur zit nu echter in een aculturele omgeving en het rijm is gedaald naar een bijzonder laag intellectueel niveau (holleke-bolleke-snol).

Er is de slam, voor zover. Roubaud ziet een groter gevaar in het fenomeen ‘vroum-vroum’ (de Ursonate van Kurt Schwitters is hét voorbeeld). Daarmee bedoelt hij dat de poëzie in een spektakel wordt opgenomen en dat dit nog haar enige verschijningsvorm lijkt te mogen zijn, ‘excluant l’écrit au profit de l’oralité’. De taal zelf wordt geminacht: als de woorden die op het theater uitgesproken worden, op papier gezet worden dan zijn ze van mineure kwaliteit. Roubaud maakt de vergelijking met het gezongen lied: op scène aangrijpend, neergeschreven banaal. Waarom wordt dit nog poëzie genoemd? Waarom niet gewoon klank?

‘On peut formuler l’hypothèse suivante: c’est assurément la quasi-inexistence de la poésie dans le réel économique qui permet cette dérive dérisoire. Un ‘poète’ de ce type, qui ne présente que des sons, n’a rien à craindre de la concurrence féroce qu’il rencontrerait s’il voulait s’imposer dans le champ musical.’

Jacques Roubaud wil geen profeet zijn maar hij stelt dat de dominantie van het orale een amputatie én een regressie is. Daar wil ik nog aan toevoegen dat ook het publieke de poëzie aanvalt. De vorm van de poëzie is een betekenis. Zonder boek heb je een andere vorm van literatuur. Woorden die in een groep geworpen zijn, zijn afvalwoorden.

Roubaud besluit: ‘Ce que je viens d’écrire est pour défendre le point de vue suivant: que la poésie a lieu dans une langue, se fait avec des mots; sans mots pas de poésie; qu’un poème doit être un objet artistique de langue à quatre dimensions, c’est-à-dire être composé à la fois pour une page, pour une voix, pour une oreille, et pour une vision intérieure. La poésie doit se lire et dire.’

Advertenties