een heer van stand

door johan_velter

In ‘Der Briefwechsel Thomas Bernhard – Siegfried Unseld’ staan van eerstgenoemde natuurlijk weer beklijvende zinnen. Bijvoorbeeld: ‘Mehr und mehr komme ich wieder zu meiner alten Vorstellung; dass nichts, ausser einen verrückten Kopf zu besitzen, der schönste Dauerzustand genannt werden muss.’ ‘In die Poesie gehört die Ökonomie, in die Phantasie die Realität, in das Schöne das Grausame, Hässliche, Fürchterliche hineingemischt.’ ‘Ich bin ein Opfer meiner Vernunft. Ich verabscheue das Gefühl, das ohne Vernunft immer nur Gefühl oder Gefühl u. Geschmack ist.’

Maar het is de uitgever Unseld die de grootste indruk maakt. Met de voortdurende klachten van Bernhard dat hij te weinig verdient, dat hij oneerlijk behandeld wordt, gaat Unseld met grote omzichtigheid en toch kordaat om. Hij stelt zich schrap, geeft waar nodig Bernhard ongelijk en blijft voor zijn schrijver en diens oeuvre vechten op een manier die bewondering afdwingt. Gentlemanlike.

Cijfers blijven fascineren. In de brief van 15 juli 1968 specificeert Unseld de verkoop van een andere schrijver: Samuel Beckett. Unseld schrijft dat deze als de belangrijkste auteur van het fonds geldt en dat de uitgeverij alles gedaan heeft om Beckett bekend te maken en zijn boeken te verkopen. De cijfers zijn:

Molloy (in 1954 verschenen): 2.554 exemplaren verkocht

Malone (1958): 1.632

Der Namenlose (1959): 1.467

Wie es ist (1961): 873

Dramatische Dichtungen I & II (1963, 1964): 1.366 & 1.176 verkochte exemplaren.

Net zoals bij Bernhard kwam de waardering van de kritiek en de universitaire wereld eerder dan het verkoopsucces. Zijn deze cijfers een troost voor deze tijd of waren ze al een waarschuwing?

Toen moest nog de echte waanzin komen.

Advertenties