de dingen (1)

door johan_velter

Juus_hartman

In ‘Hollandse sermoenen’, de vorig jaar verschenen dichtbundel van H.C. ten Berge, is het laatste gedicht ‘Lofzang op mijn oude schoenen’. Hij beschrijft zijn Nike-stapschoenen. Ze hebben hem de wereld getoond. Dicht bij huis ‘trapten [ze] in de hondenpoep van Utrecht en Den Haag’. Ze hebben de Vlaamse wegen bewandeld. Het gedicht eindigt met ‘Waar ze mij ook brachten, / ze droegen me altijd / terug tot in het trapportaal. / Met verweerde lippen / en besmeurde neuzen / gaan ze tot het einde door — // Zolen onverslijtbaar, / veters nooit geknapt, / zijn ze voor eeuwig / aan elkaar en mij verknocht.’

Het gedicht is te los gezet om echt te overtuigen maar het doet denken aan de schoenen van Van Gogh of het schilderij met hetzelfde onderwerp van Raveel. Er klinkt een dankbaarheid door, een verbondenheid met de voorwerpen.

In 1997 verscheen van Remco Campert de bundel ‘Ode aan mijn jas’. Een gedicht in acht delen. (1) De jas bevat de geuren van wat voorbijging, wat de auteur naliet te doen. (2) Hij bevat de herinnering aan een hotelkamer, de melancholie van een verzonnen schoonheid. (3) Hij heeft de schrijver beschermd tegen de regen op Java, terwijl daar een jongetje onaangekleed aan het werken was. (4) De jas staat dicht bij de mens en is daarom vergankelijk. (5) In Parijs had de schrijver geen jas, geen bescherming nodig. (6) Hier is de relatie omgekeerd: de auteur zorgt voor de jas: hij laat hem dingen beleven en brengt hem naar de stomerij. (7) De auteur pronkt met zijn zaad. (8) ‘door jou, omhulsel, / ondervind ik het leven / aan den lijve // ik groei in je vorm / waar ik steeds meer naar sta’. Nee, ook dit gedicht is niet erg sterk –het gedicht begon al flauw met ‘lieve jas’. En toch, ook hier is er een relatie met een ‘gebruiksvoorwerp’, een ding dat aandacht verdient en dat iets zegt over de bezitter ervan.

Het allermooiste –het mannelijkste- verhaal over een kledingstuk is dat van Denis Diderot ‘Regrets sur ma vieille robe de chambre’, in 2001 vertaald door Martin de Haan voor het Diderot-nummer van Raster. Diderot heeft een nieuwe kamerjas gekregen en dat geschenk vervloekt hij hartsgrondig. Zijn oude kamerjas zat hem gegoten, de nieuwe is stijf en koppig. De andere kon dienen (een veeg met de mouw, de pen schoonmaken, het zweet afvegen), de nieuwe mag niet versleten worden. De oude was hem dienstbaar, van de nieuwe kamerjas is Diderot de slaaf. Diderot trekt een levensles: ‘Mes amis, gardez vos vieux amis. Mes amis, craignez l’atteinte de la richesse. Que mon exemple vous instruise. La pauvreté a ses franchises ; l’opulence a sa gêne.’

De nieuwe kamerjas heeft de verhoudingen verbroken. De oude ‘accordeerde’ met de oude rieten stoel, de oude boeken, de versleten prenten. Maar om de kamerjas te kunnen dragen moest dat alles verdwijnen, ze detoneerde en ze toonde de schamelheid van het andere. Het nieuwe is het dictatoriale. ‘Et ce fut ainsi que le réduit édifiant du philosophe se transforma dans le cabinet scandaleux du publicain [belastingenontvanger].’ Het oude vloerkleed wil hij niet wegdoen, dat moet hem herinneren aan zijn vroegere staat. En toch: de angst heeft al bezit van hem genomen: luxe maakt een mens slecht. Tenslotte aanvaardt hij de nieuwe kamerjas, omdat hij weet wat hem te wachten zou kunnen staan. De verleiding kent hij, de verleiding zal hem niet knechten.

De illustratie komt uit het boek ‘Regrets sur ma vieille robe de chambre & Lettre à une jeune mariée’, een uitgave van de ‘Nederlandsche Vereeniging voor druk- en boekkunst, 1959) en is van Juus Hartman, in de jaren vijftig een vriendin van W.F. Hermans. Ze ontwierp ook het omslag voor ‘De tranen der acacia’s’ van WFH.

Advertenties