roem – daniel kehlmann

door johan_velter

Met ‘Het meten van de wereld’ haalde Daniel Kehlmann een wereldsucces. Een historische roman, een avonturierstocht. Tegengestelde karakters en toch een duidelijk doel. Botsende opvattingen en toch een gemeenschappelijk streven. Een schrijver die kan schrijven. Duits in zijn ironie en zijn grappen. Een verhaal dat verteld wordt vanuit een ouderwetse zetel.

Met ‘Roem’ haalt Kehlmann de hedendaagse wereld binnen – en hij faalt. Hij spreekt over mobiele telefonie, over internet, ‘nicknames’ maar hij doet dat in een negentiende-eeuwse stijl. Kehlmann spreekt over identiteitsverwarring. Ben je wie je zelf denkt te zijn, of wie anderen denken dat je bent? Wie of wat maakt mij? Kehlmann speelt ook zelf een spel met de werkelijkheid: hij laat een romanpersonage smeken haar in leven te laten. Dat doet hij dan ook. Veel is vrijblijvend: de schrijver kan het spel met de werkelijkheid spelen omdat hij de schrijver is.

Een aantal maal legt hij de vinger op deze tijd, deze wonde. Bijvoorbeeld op p. 28 laat hij de schrijver Leo Richter een lezing houden ‘[…] over de cultuur die ten einde liep, wat evenwel niet zo erg was; de mensen waren beter af zonder de ballast van kennis en traditie. Dit was het tijdperk van beelden, van het ritmische lawaai en het mystieke zweven in het eeuwige heden – een religieus ideaal, werkelijkheid geworden door de macht van de techniek.’ Of op p. 57, een terloopse opmerking maar correct en van groot belang: ‘Al vaker is het haar opgevallen dat het lui onder de dertig niet interesseert hoe de dingen geworden zijn zoals ze zijn.’ En op p. 161 geeft hij een sneer aan de authenticiteitswaanzinnigen: ‘[…] ieder praat spottend over ambtenaren, bureaucraten, pennenlikkers en papieren tijgers. Maar dat zijn wij toch zelf! Ieder van ons werknemers [sic, een Duitse Nederlandse zin van de vertaler Jacq Vogelaar] voelt zich een kunstenaar en anarchist, een vrije geest, een stiekeme waanzinnige die dwang noch regels accepteert. Aan ieder van ons was ooit het hemelrijk beloofd, en niemand wil begrijpen dat hij allang tot degenen behoort van wie hij er nooit een heeft willen zijn [sic, idem], dat niets aan hem nog uitzondering is en dat juist het gevoel dat hij anders is hem volledig normaal doet zijn.’ (Is het toevallig dat de vertaling hier zo stroef loopt?)

Maar verder doet hij weinig met deze inzichten. Noch in het verhaal, noch in de wijsheid van het boek en zeker niet in de vorm.

Advertenties