elly strik – jan lauwereyns

door johan_velter

Revolver 142 is weer een sterk nummer. Het gaat tegen de tijdgeest in. Revolver toont dat een tijdschrift niet door een groep gedragen moet worden en het toont aan dat moeheid in tijdschriftenland niet ontstaat door de literatuur zelf maar door een verkeerd nadenken over en omgaan met literatuur.

Nummer 142 opent met acht tekeningen van Elly Strik en ‘De beharing’, een gedicht van Jan Lauwereyns. De reeks tekeningen heet ‘The difficulty for a monkey to throw off its instinctive fear and hatred of a snake’. De tekeningen tonen veel haar. Een aap-mens, een kop van een aap, een Ensorhoofd, schaamhaar, behaarde hoofden.

De beelden van Elly Strik zijn ‘oerbeelden’: ze verwijzen naar een ambivalentie in de mens. Ze suggereren een knoop. Ze geven het hedendaagse een geschiedenis, een angst.

Een tijd geleden kreeg ik van Amazon een ‘aanbeveling’ in mijn mailbox. Omdat ik ooit ‘Histoire du livre’ van Frédéric Barbier gekocht had, werd me nu het boek ‘Du velu aulisse : histoire et esthétique de l’épilation intime’ van Jean Da Silva gesuggereerd. Quoi? Onbegrip. Bij nader inzien, toch het bewijs dat de machine intelligent is. De cultuurgeschiedenis: van het ruwe, behaarde naar het gladde, kale. Van het vormloze naar het vierkant.

Van Norbert Elias weten we nog dat hij het scheren bij mannen als een zelfdwang beschreven heeft: ‘[…] omdat het ongeschoren zijn hun via hun Über-Ich een gevoel van onbehagen bezorgt. In onze samenleving is ook het zich regelmatig wassen met water en zeep zo’n ‘dwangmatige handeling’ geworden,[…]’ (Het civilisatieproces).

Voor sommigen onder ons is een baard een teken van wijsheid, voor anderen een teken van slordigheid, ja van aapachtigheid. De eersten mogen een baard hebben, zolang ze maar celibatair zijn en in eenzaamheid eten. Al te zachte en gladde wangen kunnen echter als te vrouwelijk overkomen, ook teg ecultiveerd. De natuur wordt weggeschoren. Een echte man heeft nu een stoppelbaard: enerzijds is hij wel gecultiveerd maar anderzijds ook nog een beetje beest.

Ook de haardracht is veranderd: voor sommigen is een gladde schedel het toppunt van viriliteit –zoals de eikel. Voor anderen is het dragen van een paardenstaart het teken van domesticatie: het tonen van de (slappe) penis.

Zo heeft de houding tegenover haar ook te maken met onze verhouding tegenover natuur en cultuur (en dus tegenover het boek). Vanuit de cultuur is er een fascinatie gebleven voor het natuurlijke, de natuurmens, de haarbegroeide. Die is er al langer. De natuur werd niet altijd als ‘het goede’ gezien. De romantische opvattingen over de natuur zijn er maar kunnen komen omdat de wetenschap de natuur verklaarde (romantici zijn ook parasitair) en de materiële vooruitgang heeft de kwellingen van de natuur kunnen verzachten. Zo werd de duivel in sommige gevallen als een volledig behaard wezen afgeschilderd –maar ook het omgekeerde kon het geval zijn: dan verwees de haarloze huid naar de slang.

Het haar bij de vrouw is het omgekeerde. Maria Magdalena wordt afgebeeld met veel haar. Dit verwijst niet naar de brute natuur –zoals bij de man- maar naar de geraffineerde vrouwelijkheid. Het haar is een verleidingsmiddel, een element van lichtheid en schoonheid. Een oude vrouw met lang haar, is echter een heks.

Er is het verhaal van Karel VI van Frankrijk. In 1393 viert men aan het hof het huwelijksfeest van een hofdame. De koning en zijn hovelingen zijn verkleed als wildemannen –bedekt met haar- en dansen rond het vuur (jazeker, barbecue is een barbaars gebruik). Eén komt echter te dicht bij een toorts en vier wildemannen worden levend verbrand. De koning wordt door de hertogin van Berry gered: zij trekt hem naar zich toe en dooft de vlammen in de plooien van haar kleed. De Franse koning verkleedt zich als een natuurmens en danst voor een vrouwelijk gezelschap. Hij vermaakt hen –enerzijds is er het uitlachen, anderzijds het suggereren van een blijvende natuurkracht.

Edgar Allan Poe schreef het verhaal ‘Hop-Frog’(‘Spring-kikker’). Een koning heeft een dwerg als slaaf. Om zichzelf te vermaken roept hij de dwerg toe te springen als een kikker. De dwerg wordt daarom ‘Hop-Frog’ genoemd. De dwerg zal wraak nemen. Er is een verkleed bal. Men vraagt zich af hoe de gasten te vermaken. De dwerg stelt voor dat de koning en zijn ministers zich als apen verkleden en dat ze aaneengeketend de zaal binnenkomen. Zo geschiedt. De gasten schrikken en geloven werkelijk met wildemannen te maken te hebben. Niemand kan echter vluchten. Hop-Frog heeft alle deuren doen sluiten. Hij laat een ketting van het plafond neerdalen, maakt die vast aan de wildemannen en trekt het hele zootje op. Poe heeft voor zijn verhaal inspiratie gevonden in het voorval met Karel VI. James Ensor heeft Poe’s verhaal getekend in de ets ‘De wraak van Hop-Frog’. Lou Reed heeft op de cd ‘The Raven’ een song ‘Hop-Frog’ gezongen (‘I’m a hop-frog /a hop-frog / they call me the hop-frog / hop, hop-frog).

Pikant aan dit verhaal is ook hier weer de dialectiek. De koning–toch een toppunt van beschaving- wordt getransformeerd tot een behaarde. De dwerg –de kikker, de haarloze, het niet-menselijke- neemt wraak op de koning door hem de hoogte in te trekken. Nu mag de koning hoger springen dan de dwerg/kikker.

Jan Lauwereyns heeft bij de prenten het lange gedicht ‘De beharing’ geschreven, Darwin en de evolutietheorie zijn het onderwerp. Ook nu weer heeft hij zichzelf een nieuwe vorm opgelegd. Het gedicht bestaat uit een reeks zinnen die suggereren. Sommige zijn niet afgemaakt, andere poneren. De zinnen springen als kikkers over elkaar. Het is de lezer die al dan niet kan aanvullen. Maar toch leidt de schrijver de dans. Er zijn verwijzingen naar andere schrijvers (o.a. Leo Vroman, Saskia de Jong), naar kunstwerken (Duchamp), naar zijn eigen oeuvre (Anophelia! De mug leeft, Monkey business), naar de cultuurgeschiedenis (de Calvarieberg, de rechtspraak). Er zijn terugkerende zinnen (‘Zoals de slang’,‘De ultieme apostrof’). Het gedicht is een cirkel –of een spiegel. Begin en einde naderen elkaar. Hij speelt met de tegenstellingen tussen de slang en de aap. Het gedicht begeleidt de tekeningen: er wordt over grafiet gesproken, over het spiraalvormige groeiproces. De zinnen luisteren naar de tekeningen, ze zijn benaderingen. Het zijn pogingen die gecombineerd worden met de eigen gedachten en geschiedenis. Bij Jan Lauwereyns is er ook altijd veel respectloze humor in zijn beschrijvingen. Een zwarte punkmentaliteit. En een reflectie op wat taal mogelijk maakt: te ontsnappen:‘Het gat dat / Taal Hem bood’.

Wildeman_tot_koning_gekroondEnsor_hop_frog
Advertenties