de bankier die sterft (3)

door johan_velter

Teirlinck

Herman Teirlinck speelt in zijn roman ‘Zelfportret, of het galgemaal’ met begrippen als identiteit, authenticiteit, waarachtigheid. Voor hem is kunst een ‘maaksel’, een vorm die gemodelleerd is. Dit betekent niet dat er geen relatie met de werkelijkheid is: kunst behoort tot het leven. Dit betekent niet dat hij het bestaan als ‘mannequin’ verdedigt. Hij weet dat achter de schijn de waanzin loert: ‘Ge woont, ge leeft (als dit nog leven is te noemen) in de spiegels. De waanzin zit daarachter op de loer.’ Teirlinck beschrijft een man die risico’s neemt. Hij doet dit niet alleen omwille van het spel maar omdat hij de dood, de zelfmoord, daardoor ontspringt. Het riskant leven is het lachen met de dood, met het leven. Het is een afstandelijkheid – en daardoor bij uitstek burgerlijk- die hem boven het gedrang plaatst maar hem ook te midden van de massa brengt. Er zijn en er niet-zijn. Er zijn twee componenten in de Westerse cultuur: de levensverachting, het zich keren tégen de wereld en het handelingsprincipe, de wereld veroveren. In de figuur van Henri M. komen beide tendensen samen. Dit maakt deze roman complex en niet eenduidig te verklaren. Zeker is dat de houding van Teirlinck zelf niet te situeren is in het ene of het andere kamp. Hij is dit en hij is dat.

De roman is – meer dan poëzie – een resultaat van het rationele,logische denken. En het is binnen deze vorm dat dit denken verdraaid wordt. Maar noch de vorm noch het instrument zelf – de taal – lijdt daaronder. Het verhaal blijft het verhaal. Fascinerend hoe de oude man modern is.

Advertenties