woorden trappen

door johan_velter

In ‘De groene Amsterdammer’ van 10 april bespreekt Kees ’t Hart het boek ‘De revanche van de roman’ van Thomas Vaessens. Dezel aatste heeft al meerdere malen gewezen op de ontwaarding van de literatuur. Vaessens legt geen verband met het boek als object –maar dat is er wel- en hij blijft binnen zelfopgelegde perken waardoor zijn betoog aan kracht verliest. We maken immers een overgangsperiode mee naar een cultuur die het humanisme ofwel overstijgt ofwel er de negatie van is. De Westerse, humanistische cultuur heeft zichzelf verzwakt. In deze toestand is het gemakkelijk te wijzen naar andere culturen, civilisaties en beschavingen om daar de schuld te leggen. Maar het Westen is als een verzwakt dier dat andere roofdieren aantrekt. Een belangrijk kenmerk van een zich veranderende cultuur is het taalgebruik: de woorden worden in een verkeerde betekenis gebruikt. Omdat de woorden geen één-op-één-relatie met de werkelijkheid meer hebben, moeten ze verhevigd worden. Mega. En dus zijn er die literatuur als terreur beschouwen. Maar door zo te denken en te schrijven, ontkent men een functie van literatuur: het bewaken van woorden en hun betekenissen. We zijn er al aan gewoon dat auto’s en wasmiddelen revolutionair zijn, maar daarom moeten schrijvers ook niet de woorden verkrachten.

Vaessens wil dat de schrijvers een geëngageerde rol spelen. Het is de vraag of dit kan en/of helpt. Als het inderdaad om een transformatie vanc ultuur gaat, is de literatuur –net zoals bijvoorbeeld ook het onderwijs-een lijdend voorwerp én een handelend subject. Lijdend omdat een instituut een deel van de maatschappij is en die dus volgt. Actief omdat door de veranderingsprocessen de maatschappij verder gemoduleerd wordt. Maar als de literatuur –zoals Vaessens schrijft- minder belangrijk geworden is in deze posthumanistische wereld dan kan ze ook geen bepalende rol meer spelen. En inderdaad, woord, tekst en boek (filologie en filosofie) waren constituerende elementen van het humanisme. Nu zijn ze dit niet meer omdat het humanisme er niet meer is of van gedaante veranderd is.

Kees ’t Hart bespreekt met sympathie het werk van Vaessens maar legt ook zijn eenzijdigheid bloot. Vaessens kiest niet voor literatuur maar voor stellingen.

(Het wordt echter wel zeer grappig als zowel ‘t Hart als Vaessens M. Februari ten tonele voert als de toekomst van de roman. Met ‘De literaire kring’ schreef ze een Hollandse damesroman, doorspekt met wijsheden uit het genre van de streekliteratuur. Geschreven in een stijl die slechts gaap-gaap…)

Op het einde van zijn recensie –en daarover moest het vandaag gaan- schrijft ’t Hart: ‘[nadat Vaessens de poëzie en de romankunst de wacht heeft aangezegd] Wat nu nog rest is een provocerend boek van deze ambitieuze hoogleraar over de Nederlandse literatuurbeschouwing. […] Hierbij alvast een wens. Kan Vaessens in zo’n te schrijven studie nu eindelijk eens afrekenen met die verschrikkelijke en op niets berustende indeling van literatuur in ‘modern’, ‘postmodern’ en zelfs ‘laatpostmodern’, die ook hijzelf hanteert?’

Een aanduiding van de zwakte van de literatuur is de mate waarin de literatuurbeschouwing los staat van de literatuur zelf. Hier hebben we een eigenaardige relatie. Enerzijds lijken schrijvers alleen maar te willen schrijven om besproken te worden door (al dan niet bevriende) critici. Anderzijds wordt er een betoog gehouden dat mijlenver af staat van wat geschreven wordt in poëzie en proza. De kritiek volgt een eigen weg, heeft een eigen woordenschat en idolen. De criticus herhaalt zichzelf en ziet geen individueel boek. De boeken worden slechts als illustratiemateriaal gebruikt om de eigen stellingen tebewijzen. De schrijver verdwijnt en de criticus komt voor hem te staan. Hetzelfde is gebeurd in de operawereld waar de opera zelf, slechts aanleiding werd voor het verbrassen van geld en in de kunstwereld waar de curator, de beeldende kunstenaar gebruikt om een (flauwe) ‘filosofie’ te ontwikkelen.

Advertenties