deze val is niet meer te stuiten

door johan_velter

René van Stipriaan is hoofdredacteur van de ‘Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren’ (DBNL). Een lovenswaardig project maar verouderd omdat het in zijn vorm te afhankelijk is van de gedrukte cultuur. Hij heeft de tweede reactie geschreven (in De gids, 1, 2009) op het essay ‘Literair overleven’ van Dirk van Weelden.

Terecht spreekt hij over een revolutie. Enerzijds lijkt het goed te gaan (boeken worden verkocht), anderzijds zijn boeken bederfelijke waar geworden. Slechts een kleine groep boeken beleeft een tweede druk. Er is ontlezing. In Nederland elk jaar met enkele procenten. Van Stipriaan vergelijkt cijfers: in 1991 werden over alle Nederlandse openbare bibliotheken 180 miljoen uitleningen geregistreerd. In 2007 is dit bijna gehalveerd tot 100 miljoen. Hij schrijft: ‘Deze val is niet meer te stuiten.’ Lezers zijn consumenten geworden en dus ‘kwikzilverig’. Dit is slechts de helft van het verhaal.

Zijn historisch overzicht(je) is echter niet correct: onderwijs en bibliotheken waren géén instellingen van ontwikkelingshulp; de vorm van boeken in de negentiende eeuw bleef niet lang achttiende-eeuws; de rubbish op het internet is niet vergelijkbaar met de volksboeken uit de vijftiende en de stuiverromans uit de negentiende eeuw; het is niet juist dat de overheid de literatuur niet meer koestert. Wat dit laatste betreft (en dat geldt voor de kunst in het algemeen) kunnen we gerust spreken van een huidige staatsliteratuur.

Van Stipriaan stelt dat het oorlog is, oorlog om de aandacht van de moderne consument en de hedendaagse schrijver is volgens hem veel te passief. (Oorlog? Wat een terminologie.) Waar er literatuur is, – zegt Van Stipriaan – is er geen onzin. Maar hij vergeet dat literatuur en internet misschien wel tegengestelden zijn, dat het lezen een exponent is van een mensbeeld dat niet meer gewenst is. Hij geeft cijfers: er zijn per dag 17.000 bezoekers op DBNL die samen meer dan 100.000 webpagina’s opvragen. En men zoekt ook naar moeilijker werk. ‘Sommige tijdschriften worden nu op één dag vaker geraadpleegd dan voorheen in een heel jaar. Dit is de kern van de lezersrevolutie die internet mogelijk maakt. Eindelijk bereiken de teksten de lezers voor wie ze bedoeld zijn.’

Het cijfer 17.000 is ongeloofwaardig. Het probleem met tellen op het internet, is dat er enkel geteld wordt. Hoe meer inhoud je hebt, hoe meer zoekacties naar je webpagina’s geleid worden. Het opvragen van een pagina is dan ook geen bewijs voor het bestaan van literatuur op internet. We moeten dan nog een onderscheid maken tussen literatuur als onderzoeksobject, als studiemateriaal (wat DBNL doet –en voor alle duidelijkheid: alle lof) en literatuur als contemporaine denk- en levenshouding.

DBNL is een internetbibliotheek. Van Stipriaan stelt dit tegenover de ‘klassieke’ bibliotheek – en hij overdrijft mateloos waardoor zijn betoog zijn kracht verliest: ‘Hoe lang was tot voor kort niet de weg van een gemiddelde burger naar precies die teksten die aansloten bij zijn belangstelling? Die weg was voor de meeste mensen veel te lang, veel te duister en daardoor onbegaanbaar. Degenen die feilloos de weg kunnen vinden in een klassieke bibliotheek behoren van oudsher tot een geprivilegieerde kaste van hooguit een paar duizend mensen. De meeste mensen kunnen echter niet eens de weg naar de bibliotheek vinden. Maar door zoektechnologie vallen bijna alle barrières tussen het boek en zijn geïnteresseerde lezer weg.’ (Hoeveel keer zouden we hier ‘sic’ kunnen plaatsen?) Wat bedoelt Van Stipriaan met ‘bijna alle’ barrières? Schrijnend is ook dat hij inzijn laatste zin het woord boek hanteert – want dat is nu juist de clou van de zaak. Zijn 100.000 webpagina’s hebben geen uitstaans met de boekcultuur – een cultuurvorm waar vorm en inhoud samen gaan.

René Van Stipriaan eindigt dan met het al te optimistisch toontje: alles komt goed, zet alles op het internet en ‘het publiek’ zal er mee ‘in aanraking komen’. In aanraking komen. En om zichzelf aan te prijzen, maakt hij de rekening van de bibliotheeksector – daarmee neemt hij uiteraard de commerciële rekenkunde over en hiermee geeft hij een staaltje van zijn oorlogsdenken: ‘De openbare bibliotheken zullen zich gaan verpoppen tot culturele centra waar alleen het pas verschenen boek nog wordt uitgestald [sic]. Het klassieke uitlenen van boeken heeft zijn beste tijd gehad. Op dit moment kost elke uitlening de belastingbetaler ca. zes euro. Een bedrag dat ieder jaar oploopt. Een raadpleging van een boek via de website van de DBNL kost op dit moment hooguit een à twee cent. En dit bedrag zakt nog ieder jaar.’ DBNL is echter een parasitaire instelling: ze teert op het werk van anderen dat op papier verschenen is. DBNL heeft geen genererende creatieve of wetenschappelijke waarde. Ze is enkel een archief en in die zin slechts een miniem – en dan nog niet het belangrijkste – onderdeel van de internetcultuur.

Ja, er is een revolutie. We spreken over boeken en uitgeverijen en plaatsen die in een humanistische en culturele context. De werkelijkheid is echter een commerciële. Spreken over hét boek en dé literatuur is niet meer mogelijk. Zoals er vele culturen en subculturen in onze tijd bestaan, zo is dit ook met de boekenwereld. Er zijn boeken en boeken. Als sociologie een mogelijkheid tot waarheid biedt dan moet de maatschappelijke rol van literatuur nagegaan worden. Is literatuur een eeuwig genre of kan de verbeelding nu elders aan de slag? En wat voor gevolgen heeft dit dan?

Advertenties