lucretius in nederland (2)

door johan_velter

Fascinerend aan Lucretius is zijn bijdrage aan de poëzie én de wetenschap. Zo is hij ook vandaag nog een voorbeeld –dat wellicht niet meer gevolgd kan worden. Alfa en bèta zijn verschillende wegen gegaan en hebben een eigen ethiek ontwikkeld. De waarheid van de dichter is niet noodzakelijk die van de wereld of de wetenschap. Maar in die hoedanigheid was Lucretius in de achttiende eeuw een voorbeeld (het is via Seneca dat het oeuvre van Lucretius bestudeerd kon worden). Maar voordien al heeft ook Peter-Paul Rubens een portret van Lucretius gemaakt. (Rubens? Was hij niet de grote verdediger van het katholicisme? De zeventiende eeuw was echter ook de eeuw van het nieuwe denken. En Rubens kende de wereld. Wellicht is het via Justus Lipsius die Seneca aanvaardbaar wilde maken voor de christen wereld dat Lucretius door Rubens gekend was. Er is overigens ook een ‘katholieke Lucretius’: de atomen zijn dan ‘gedoopt’. (En vroeger nog. Ook Erasmus kende Lucretius en verwees naar hem in zijn ‘De lof der Zotheid’. In een brief van eind mei 1515 aan Maarten van Dorp stelde hij de honing van Lucretius gelijk aan zijn Zotheid.))

Lucretius is door de materialistische filosofie, en dus ook door het marxisme, als een voorloper gezien. Marx behandelde in zijn doctoraat de Griekse natuurfilosofie. Hij gebruikte Epicurus en Lucretius in zijn boek ‘Die Deutsche Ideologie’ om een activistische filosofie op te bouwen. Immers, het ‘echte’ leven is het beweeglijke want de atomen zitten niet gevangen in stilstand maar zijn constant in beweging. Herman Gorter, die zelf ook classicus was, heeft lovende woorden over Lucretius geschreven: hij die de mensen hun dwaalwegen getoond heeft. Maar Gorter heeft zijn Lucretius verzonnen. De Romein was géén revolutionair en Piet Schrijvers wijst er op dat het epicurisme juist het tegendeel van een geëngageerde houding is. En in die zin is ook Karl Marx fout geweest: de epicurist staat aan de kant en beschouwt het woelen.

En passant brengt ons dit bij een ander heikel punt. Door sommigen wordt Lucretius als de grote voorloper van de moderne wetenschap beschouwd. Woorden van hem prijken bijvoorbeeld ‘boven de poort naar de expositieruimte van de moderne Franse atoomcentrale te Marcoule’, zo zegt Piet Schrijvers in zijn nawoord over Lucretius in Nederland (‘De natuur van de dingen’, p. 576). Volgens mij is hij dat niet. De Grieken hebben allerlei theorieën uitgedacht om de wereld te verklaren. Meestal waren ze onzinnig. Het waren verhaaltjes, het waren pogingen die niet gebaseerd waren op wat wij nu als feitelijke kennis beschouwen. En in die veelheid zijn er Epicurus en Lucretius geweest die –toevallig- hun leer op atomen gebaseerd hebben. Het is als vogelpik: wie veel pijlen heeft, heeft de kans Roos te treffen. Zij zijn geen voorgangers omdat de context waarin zij dachten en leefden geen aanleiding gaf tot de huidige wetenschappelijke kennis. Zij hebben op een poëtische manier een wereldvisie ontvouwd en toevallig blijkt die nu (min of meer!) te kloppen met onze opvattingen. Maar ook de onze zullen ooit vervangen worden. We kunnen zelfs niet spreken van intuïtie omdat dit laatste een voor-kennis is vooraleer de feiten tot een theorie worden samengesmeed.

Ida Gerhardt staat voor de anti-Lucretius-opvattingen. Net zoals priesters zeggen dat ook ongelovigen altijd nog wel in iets geloven, of dat romantici de scepticus zeggen ‘je bent zelf romantisch’, zo zei ook zij dat er in het werk van Lucretius een diep-tragische toon te horen is: de doodsangst. Gerhardt zag in de (vermeende) zelfmoord van Lucretius haar bewijs. (Terwijl dit een tegenbewijs voor haar eigen geloof zou moeten zijn. Nog steeds zijn er die zelfmoord als een nederlaag beschouwen, terwijl dit in werkelijkheid de enige menselijke en humane dood is.) De visie van Gerhardt is gebaseerd op een onjuiste voorstelling van feiten door Geerten Gossaert (het artikel ‘Lucretius’ in het tijdschrift ‘De beweging’, 1910). Gossaert was geïnspireerd door de romantische dichter Tennyson en zijn gedicht en visie waren dan weer gebaseerd op het verhaal van de kerkvader Hiëronymus. En we weten dat dit verhaal een leugen was want een tendentieus propagandaverhaal.

Ida Gerhardt zag Lucretius vooral als natuurdichter: een man met ogen en waakzaamheid. Schrijvers ontdoet het beeld dat Gerhardt van hem geschetst heeft, van valsheden. Zo blijkt zij haar eigen poëzie-opvattingen al te zeer op Lucretius geprojecteerd te hebben. Steeds weer verzet Schrijvers zich tegen valse voorstellingen en pleit hij voor een correcte lezing. Op p. 588 geeft hij ons een mooi voorbeeld van hoe vertaald moet worden tegen vooroordelen in. Piet Schrijvers sluit zich daarmee aan bij Wolfgang Schmid die het romantisch Lucretiusbeeld ontkracht heeft. De romantici baseerden zich op een partiële lezing en trokken Lucretius naar zich toe in plaats van hem in zijn waarde te laten en de context te begrijpen. (Steeds weer: romantici lezen niet.)

Het stuk over Nooteboom is bij Piet Schrijvers het zwakste. Hij haalt er veel cultuurgeschiedenis bij maar we hebben niet echt de indruk dat dit ter zake is. In de bundel ‘Het gezicht van het oog’ verscheen de cyclus Lucretiusgedichten onder de titel ‘De dichter en de dingen’. Piet Schrijvers stelt dat deze titel ‘zelf weer een onmiskenbare toespeling is op de letterlijke vertaling van de titel van Lucretius’ leerdicht ‘Over de natuur van de dingen’. Dit is helemaal niet onmiskenbaar want het verschil tussen de woorden ‘en’ en ‘van’ is te groot. Evidenter is dat er een verwijzing is naar de Ida Gerhardt-vertaling waarvan de titel ‘De natuur en haar vormen’ luidt.

Het verhaal van Schrijvers over Lucretius in Nederland is niet volledig. De Nederlandse filosoof Sigebert Havercamp heeft in 1725 een Lucretius-editie in twee delen doen verschijnen. Diderot heeft deze uitgave gebruikt. Diderot heeft ook nog meegeholpen aan de vertaling van de la Grange (de opvoeder van de kinderen van d’Holbach) die verscheen in 1768. (Diderot heeft geen leerdicht geschreven maar heeft in dezelfde traditie filosofisch proza geschreven. De (ondergrondse) erotische literatuur was voor een deel ook een voortzetting van Lucretius’ werk. Ook Sartre heeft literatuur gebruikt om een filosofische zienswijze te verduidelijken.)

Geerten Meijsing heeft in ‘Siciliaanse vespers’ de categorieën van melancholie zoals ze door Lucretius zijn opgesteld vernoemd. Hugo Claus heeft (als Schrijvers Bertolt Brecht mag behandelen in zijn stuk mag een ander Claus Nederland binnensmokkelen) een gedicht aan Lucretius gewijd: “Niemand begrijpt wat voor een ding de ziel is. / Is zij er al in de foetus? Of haalt de vroedvrouw haar / pas in de dauw van de wereld? / […]”.

En dan is er ook nog Tonnus Oosterhoff, de wonderlijke. De bundel ‘Ware grootte’ begint met ‘Hierdoor naar binnen? Naar buiten /[…]’. Het thema van de spiegel wordt geïntroduceerd. En dit herhaalt hij op verschillende plaatsen (‘In speculis speculorum amen’). De spiegel wordt hier ook in een morele betekenis gebruikt (zoals de ‘vorstenspiegel’ dat was): het moet onszelf ver-klaren. De spiegel staat dan op een gelijk niveau als het boek. ‘Ware grootte’ verwijst hier en daar naar de miniatuurkunst. Niet verwonderlijk, want Oosterhoff ‘bestudeert’ en verandert de poëzie in haar fysieke verschijningsvorm. Ook hier staat de beweeglijkheid centraal. Die aandacht voor de spiegel en het fysieke schrijven werd door hem verder gezet in ‘Handschreeuwkoor’, een uitgave van Druksel. De laatste sectie hier wordt voorafgegaan door de woorden ‘avia pieridum’ die de beginwoorden zijn van Lucretius’ boek vier. Dit behandelt de rechtvaardiging van de dichtvorm en het is ook in dit boek dat Lucretius over spiegels spreekt. Verbind spiegel met natuur en je komt bij Richard Rorty terecht: ‘Philosophy and the mirror of nature’. De spiegel is niet alleen een weerkaatsing maar kan ook een schijnbeeld opleveren. Het gaat dan om de zintuigen: kunnen wij op onze ogen en oren betrouwen? Zoals Gerhard Richter in zijn schilderijen onze perceptie in vraag stelt, zo stelt Oosterhoff ons verlangen naar kennis en weten in vraag, op de proef.

De wereld van Oosterhoff is er een van gruwel. Geen gruwel zoals bij Bataille bijvoorbeeld maar zoals de wereld nu eenmaal is. En de mens heeft weinig waarop hij kan betrouwen. In ‘Ware grootte’ begint het gedicht op p. 10 ‘Ze hoorden kinderen roepen maar dachten / dat het geluid van de straat kwam.’ Deze zin stond centraal in het Dutroux-relaas. Rijkswachter Michel is in de kelder van Dutroux geweest en hoorde maar dacht. Met het gekende resultaat als gevolg –onlangs is de man overleden, een wrak. En zo, en zo en zo verder.

Lucretius: het wonder is geen wonder.

Advertenties