harten

door johan_velter

In het allerlaatste nummer van Nieuwzuid (mooi dat men niet gestreefd heeft naar het al te symbolische getal 33) beschrijft Erik Spinoy de statusverandering van literaire prijzen. Deze horen – net zoals medailles – tot een voorbije tijd. Hoe hoog of laag het geldbedrag ook was, het voornaamste was de eer, de erkenning door de maatschappij van iemand die hogere waarden verdedigde. Vandaag kijkt men neer op die eer – ook een traditionele schrijver als Jeroen Brouwers doet dat – en verlangt men geld. Uiteraard is de maatschappij veranderd – consumptie/spektakel -, maar de literatuur is dat ook – eindpunt of heroriëntering? Als de literatuur (en bij uitbreiding: de kunst) de wereld nog weinig te zeggen heeft, keert de wereld zich van haar af. Men kan zich dan wentelen in zelfbeklag of zichzelf verheffen – klein maar fijn. Toch bezit het getal een waarheid. Relevantie wordt ook bepaald door de ontvangst van wat be(t)oogd wordt.

Het prijzencircuit is grotendeels overgenomen door de commerciële wereld, kortweg de wereld. Niet langer de eer of de verdienste staat centraal maar wel wat er aan nevenactiviteiten gebeurt. Het boek wordt/is uitsluitend een waar dat verhandelbaar is. De inhoud heeft geen belang. Relevant is dat er een boek is en dat er evenementen georganiseerd worden om het boek te verkopen. Vandaar ook het bestaan van een long- en een shortlist: inspelen op gevoelens, concurrentie, afgunst, weddenschappen. (We zijn daarmee/daardoor ver verwijderd van het idee van een republiek der letteren.) Het streven naar een literatuur die volledig autonoom is, past in het kapitalisme. De tweeling: modernisme-kapitalisme. Er wordt een artificiële wereld naast de echte gecreëerd waar andere normen gelden. De ‘echte wereld’ kan dus vrijuit gaan. Daarom is er ook een woordinflatie: de betekenis der woorden doet er niet toe,er wordt een sfeer gecreëerd – die belooft. Het belang van een oeuvre is afgenomen omdat een oeuvre verwijst naar een project, een standpunt. De eventuele inzetbaarheid van de auteur in een verkooppolitiek is belangrijk. De schrijver is een nar die gebruikt wordt, maar die kan ook losgekoppeld worden van het boek zelf. Als de schrijver op televisie kan komen, is dit meegenomen. Het schrijverschap is enkel een mogelijkheid om een televisiegezicht te verwerven. (Musil, de schrijver der mogelijkheden, wordt overtroffen door wat voor mogelijk gehouden wordt.) Het doel is dat een boek verkocht wordt. Dat het gelezen wordt – of, o gruwel, een effect zou hebben – is natuurlijk helemaal niet nodig of wenselijk. Toch is iedereen tevreden. De schrijver vindt zichzelf in de spiegel, de uitgever voelt zijn portefeuille zwellen, de lezer is in een groep opgenomen.

Is verzet mogelijk? Er zijn schrijvers die misprijzend neerkijken op wat hen geboden wordt. Er zijn schrijvers die trots zijn op hun prijzen. Hoe is verzet mogelijk als er geen inhoud is? Het draait inderdaad om het begrip autonomie. Soms wordt in dit verband verwezen naar de processen van Reve en Hermans: het personage is vrij te spreken. De schrijver is niet gelijk aan zijn roman(figuur). Strikt formalistisch is dit juist maar iedereen weet dat dit inhoudelijk niet klopt. De schrijver is zich bewust van wat hij schrijft. Autonomie kan ook bestaan als de schrijver verantwoording wil afleggen, kunst als een vrijplaats verdedigt en het recht van afwijkende meningen verdedigt. Niet alleen in de kunst maar ook in de wereld zelf. Autonomie mag dan niet gelijk gesteld worden aan politiek correct zijn – en ook niet aan het omgekeerde. We moeten dus niet terug naar een vroegere situatie. We moeten de autonomie – en zelfs het formalisme – als een verworvenheid beschouwen en van daaruit nieuwe standpunten uitwerken die van deze wereld, onze realiteit, vertrekken. (Neue Gedichte.)

Dat Nieuwzuid een goed tijdschrift is/was, wordt bewezen door na het theoretisch artikel van Spinoy een concreet voorbeeld te geven. Marc Reugebrink wordt in het voorwoord een ervaringsdeskundige genoemd. Dit woord wordt geassocieerd met slachtofferschap: ‘het heeft iets meegemaakt’ en het heeft alleen maar iets meegemaakt. Reugebrink beschrijft zichzelf als een onschuldig lam dat een prijs (Gouden Uil 2008) gekregen heeft. Hij wentelt zich in zelfverheffing en in zelfbeklag en zegt niets. En ook hierin toont het kapitalisme zich: liever sentimenten dan argumenten.

Het artikel van Reugebrink toont aan hoe een romantische houding blind en dom maakt. In het begin van de tekst beschrijft hij zichzelf als een romanticus (p. 42) en hij besluit met ‘Men zou er romantisch van worden.’ (p. 52). Is men het niet of wordt men het? Maar niet iedereen trapt in de rozenval. In de romantische visie staat het begrip authenticiteit centraal. De kwalijke Rousseau is het voorbeeld, de doctrinaire Augustinus een toonbeeld. Is een hypocriet persoon ook authentiek? Heeft Frank Vande Veire dit begrip niet afdoende gefileerd? Marc Reugebrink construeert van zichzelf het beeld van de romantische schrijver. Onbegrepenheid en vervolging moeten vermeld worden. En dus schrijft Reugebrink dat er ‘scheve, onwelwillende en soms ronduit kwaadaardige stukken in de Vlaamse kwaliteitskranten naar aanleiding van mijn absoluut schandalige nominatie [stonden]’. Zijn er dan 132 Vlaamse kwaliteitskranten? En dit is ook niet juist. Er werd verbaasd gereageerd op de nominatie: Reugebrink? Net zoals er verbaasd gereageerd werd op D. Hooijer. Dat dit iets zegt over de recensenten is evident. (Ook dat de Yang-doctrine een imago bezit.)

De constructie van zichzelf tot (ja, tot wat?) tot Reugebrink, natuurlijk, is ook te verbinden met de opzet van ‘De reactor’ (is de naam een vorm van zelfoverschatting?). Naar aanleiding hiervan schrijft Reugebrink op zijn weblog dat hij niet weet voor wie de boekenbijlagen geschreven worden. Reugebrink verzorgt zelf een rubriek in de boekenbijlage van De Morgen (geen kwaliteitskrant) en publiceert voor dezelfde krant op de opiniepagina flinterbijdragen. Dat heeft het kapitalisme graag: beweer maar iets, de krant moet gedrukt. Geen argumenten, sentimenten. Maak wat je doet, zelf belachelijk.

Ook hier weer: de onschuld. Maar dit staat in schril contrast met de kreet die door de zaal weergalmde toen de schrijver zijn naam als winnaar hoorde afroepen (de meisjeskreet kwam van de auteur zelf). En opvallend is hoe Reugebrink in het Nieuwzuid-artikel zwijgt over de samenstelling van de jury en de rol die Bert Bultinck gespeeld heeft – niet moeilijk want in feite was hij de enige criticus. Net alsof die jury ‘canonmensen’ zouden geweest zijn en de keuze dus relevant. Lees wat Leugebrink schrijft: ‘Al meteen na de bekendmaking in het justitiepaleis van Antwerpen schijnt er [sic] achter de schermen en rondom de juryleden een kleine storm van verontwaardiging losgebarsten te zijn. Het fijne weet ik er ook niet van. [sic]’ (p.51)

Geloofwaardig?

Dat iemand van zichzelf een constructie maakt, is geen probleem. Maar men moet het doen met de woorden van Bukowski in het achterhoofd:

‘[…]
Not many have style.
Not many can keep style.
I have seen dogs with more style than men.
[…]’

Toch vindt Reugebrink zichzelf groot en autonoom: ‘Ik behoor sowieso niet tot het contingent schrijvers dat de uitgever belt als thuis het toiletpapier op is, of dat verwacht na afronding van een hoofdstuk door een wulpse stagiaire in een bad vol rozenblaadjes gedaan te worden om daarna met zachte doeken te worden af- en opgewreven.’ (p. 47). (Men zal mij zeggen: ‘Dit is humor’.)

Als het koud is, denk ik aan Alexander Solsjenitsyn. Als ik Marc Reugebrink lees, denk ik aan Kristien Hemmerechts.

Advertenties