literatuurwetenschap

door johan_velter

Met een cliché van jewelste opent Marc Reugebrink zijn column ‘Zondagsdichters’ in De Morgen van 24 september 2008.Volgens hem zijn er ‘miljoenen verzenplegers’ maar geen ‘vijfhonderd verzenlezers’. Ik weet niet vanuit welk perspectief Reugebrink spreekt maar miljoenen tegenover vijfhonderd stellen, ergens lijkt er iets niet te kloppen. (Als de zogenaamd ernstige dichters ook al eens een bundel van een andere dichter zouden kopen, zouden we al een stap verder zijn.) Hij verwijst naar Columbia en Palestina om aan te tonen waar de poëzie wel (nog) leeft. Ja daar. Maar wie wil nu onder dat soort regime leven? Voor de rest lijken zijn woorden vooral te verwijzen naar wat elders al door anderen betoogd werd. En hij besluit dat mensen oppervlakkige poëzie gebruiken om het onzegbare te zeggen. De reeks waarin dit verschijnt heet ‘Vreemde vogels’.

In dezelfde editie gaat ook Kevin Absillis weer aan de slag, deze doctor in de taal- en letterkunde heeft zich gespecialiseerd in het zeggen ‘vroeger was het ook zo’. Altijd weer dezelfde denkfout. Het regressief denken reduceert het heden tot het verleden en zegt dat alles bij het oude blijft. Een conservatieve manier van denken jawel, maar ook een luie en een domme want er wordt geen moeite gedaan om huidige fenomenen te analyseren en om een context te zien. Zijn geschiedenis sedert de boekdrukkunst is zachtjes gezegd ook niet echt een doctoraat waard. Hij stelt dat schrijvers (bewust) prijzen bekritiseren om zo hun onafhankelijkheid van de marktwetten te bewijzen. Maar dat tenslotte iedereen wint: de schrijver en de prijzenuitreikende instantie. Slaap zacht, slaap zoet. Ook het kalf verdient zijn slaap.

Advertenties